Thursday, April 18, 2013

Bonussen van bankiers: een handig politiek afleidingsmanoeuvre

Gepubliceerd op Knack.be



Deze week stemde het Europees Parlement in met een wettekst die de financiële sector moet hervormen. De belangrijkste elementen zijn het optrekken van de kapitaal- en liquiditeitsvereisten voor banken en het inperken van de bonussen van de topbankiers. Zeker dat laatste kreeg heel wat politieke aandacht. Onder meer het Belgische Europarlementslid Philippe Lamberts (Ecolo) was één van de drijvende krachten. In een reactie, stelt hij: "De hoge verloningen waren de eerste reden waarom er zo veel risico's genomen werden".
Dat is toch wel kort door de bocht. Het mag duidelijk zijn dat voornaamste reden voor de financiële crisis de kunstmatige geldgroei is die we de laatste decennia hebben gezien, zowel in Europa als in de V.S. Het extra geld leidde tot overinvestering, met tal van investeringszeepbellen tot gevolg. Of het nu gaat om de beurscrash van 1987, de IT – zeepbel, de crisis van 2008 of de eurocrisis, altijd opnieuw stonden centrale banken klaar met geld om de crisis “op te vangen”. Op bevel van politici. Al deze crisissen zijn ook ontstaan door de kunstmatige geldgroei die diezelfde politici wensten om de interestvoeten – de prijs van het geld – kunstmatig laag te houden. Niet-duurzame economische groei en kunstmatig lage interestvoeten om de gigantische overheidsschulden te her-financieren: politici houden ervan, maar het heeft natuurlijk wel een kost. Financiële crisissen komen niet uit de lucht vallen, maar ontstaan als gevolg van dergelijk fout overheidsbeleid. De hoge lonen van bankiers zijn slechts één van de vele indirecte gevolgen. Dat hier en daar een bankdirecteur of investeerder ietwat meer risico zou hebben genomen omwille van een ietwat hogere bonus is dan niet meer dan een detail. 

Gelukkig bevat het goedgekeurde pakket ook regels die banken dwingen om de kapitaalsvereisten op te trekken. Dat zorgt voor minder zeepbellen en verkeerde investeringen. Het is in dat verband trouwens interessant om te zien dat die politici uit Frankrijk en Duitsland die de nadruk legden op striktere regels voor de bonussen op de rem gingen staan als het om het aanscherpen van de kapitaalsvereisten voor banken ging. Dat laatste was vooral een vraag van het Verenigd Koninkrijk, dat zelfs verkreeg dat het strenger mag zijn voor de eigen banken dan wat de nieuwe EU-regels voorschrijven, iets wat in een eerdere versie van de regelgeving niet mogelijk was.

De Britten werden in dit dossier wel door de andere lidstaten in de minderheid gestemd, omwille van het verzet tegen de bonusregels. Het is de eerste keer dat dit gebeurt op een belangrijk dossier van financiële regulering. Het is zoals Duitsland eenzijdig opgelegde regels zou moeten slikken die de eigen autosector treft. Toont het aan dat er meer besluitvorming komt op vlak van de eurozone, waarbij de lidstaten buiten de muntunie maar moeten volgen? Misschien. De “City of London” is de financiële kransslagader van Europa. Al te veel Europese regelneverij kan de concurrentiekracht van een sector op termijn aantasten. Een wegtrekken van het internationaal kapitaal uit Londen – en ook uit Europa, niet naar Parijs of Frankrijk, wat de protectionisten in Frankrijk ook mogen denken - zou de kost van financiële dienstverlening met 16 procent doen stijgen in de EU, waarbij naar schatting 100.000 jobs zouden sneuvelen.  Dat zal sommige politici wellicht worst wezen. Liever een makkelijk succesje tegen “de bankiers”, zonder het eigen beleidsfalen te moeten erkennen.

Ook Luxemburg werd onlangs gedwongen het bankgeheim op te geven, niet enkel onder druk van de V.S., maar ook van Duitsland en Frankrijk. Dus ook binnen de eurozone gaat het er wat grimmiger aan toe. Het bankendossier is een voorbeeld van een groot thema waarbij het Europese Parlement er in slaagt de lidstaten van koers te doen veranderen. Duitsland veranderde immers van standpunt over de bonussen, al is dit ook onder druk van de schandalen met Deutsche Bank. Dit zien we meer en meer, als gevolg van het Verdrag van Lissabon, dat het Parlement meer macht gaf en veto’s van lidstaten deed sneuvelen. 

De Europese Unie liet sinds 2008 zo maar even 1600 miljard euro aan staatsteun aan banken toe, ondanks de Europese regels van eerlijke concurrentie, en politici zoals Philippe Lamberts suggereren dat de bonussen probleem nummer 1 zouden zijn om de crisis aan te pakken? Het zou natuurlijk vreemd zijn om een links politicus het goedkoop geldbeleid van centrale banken te zien bekritiseren. Dat dient om de beloften van politici voor gratis onderwijs, gezondheidszorg en pensioenen in te lossen. Linkse politici dienen te bedenken dat het vooral de zwaksten in de samenleving zijn die zich het minst goed kunnen beschermen tegen de gevolgen van dat goedkoop geldbeleid: financiële crisis, economische neergang en vermindering van de koopkracht. De vakbonden strijden steeds voor het behoud van de “index”, maar hun eisen voor onrealistische overheidsuitgaven ondermijnen de koopkracht van hun leden des te meer, omdat die beloften natuurlijk niet door hogere belastingen worden betaald, maar via de drukpers van de centrale bankiers.
Dit is dan ook geen pleidooi om de bankensector politiek af te schermen. Integendeel is het taboe op een herstructurering van de bankensector net het probleem. Na de eerste positieve aanzetten bij de crisis in Cyprus is deze zeer bescheiden verhoging van de kapitaalsvereisten een stap in de goede richting. Het is verbazend om te zien hoe veel politieke tegenstand er echter is tegen de stelling van de Europese Commissie en Minister van Financiën Koen Geens dat de spaartegoeden boven de 100.000 euro nu eenmaal niet gewaarborgd zijn. Wil men dan voorzichtige spaarders vragen om op te draaien voor zij die de inspanning niet doen om hun geld te spreiden en te bekijken hoe gezond een bank is? 

De totale waarde van de activa die banken aanhouden in zowel de EU als de eurozone bedragen meer dan 3 keer het BBP. In de V.S. en Japan, toch ook geen toonbeeld van gezond financieel beleid, is dit respectievelijk 78% en 174%. Jammer genoeg zijn veel van die activa, om Spaans vastgoed-onderpand niet te noemen, minder waard dan in de boeken te lezen valt. Tot nu toe werden de excessieve private en publieke schulden in Europa voornamelijk aangepakt door de ondersteuningsprogramma’s van de Europese Centrale Bank en de noodleningen van EFSM, EFSF en ESM. Met andere woorden: nog meer schulden en het tegengaan door middel van geldcreatie van dalende prijzen en lonen, terwijl dat laatste net een pijnlijke voorwaarde voor economisch herstel is. 

Integendeel moeten we naar Ijsland kijken voor een oplossing: grootscheepse herstructurering van de sector van de overheid en de banken. Zoals de voormalige Portugese President Mario Soares het onlangs stelde: “Als je [jouw schulden] niet kan betalen, is de enige oplossing niet te betalen”. De Europese beleidsmakers hebben een dergelijke dosis realiteitszin nodig. Schuldenafschrijvingen, een herdenken van welke landen een gemeenschappelijke munt aankunnen, herstructureringen van banken, en het responsabiliseren van aandeelhouders, obligatiehouders en grote spaarders via “bail-ins”. Er ligt momenteel een langverwacht voorstel van regelgeving klaar van de Europese Commissie dat volgens Europese bronnen “in de laatste discussiefaze” zou zitten en waarbij men zich “vanaf 2018” aan “bail-ins” zou wagen. Het is maar de vraag of zo’n nieuw Europees regelgevend kader veel verandering zal brengen. Tot nu toe was manifeste politieke onwil verantwoordelijk voor de weigering om de sector van banken, schulden en overheden te herstructureren. De noodzakelijke hervormingen zouden pijn doen, zeker politiek. Dat zal niet zomaar veranderen. 

Monday, March 25, 2013

Cyprus: Een Taboe doorbroken



Gepubliceerd op Trends.be
 
Gisteren maakte Jeroen Dijsselbloem duidelijk wat één van de belangrijkste elementen in het akkoord over Cyprus is: banken kunnen omvallen. Ook grootbanken. Hij suggereerde dat het akkoord een model van aanpak is, en stelde dat in het geval een bank in de problemen komt, “dan gaan we spreken met de aandeelhouders en de obligatiehouders, we vragen hun bij te dragen in de herkapitalisatie van de bank, en als het nodig is [vragen we dat ook aan] de niet-verzekerde depositohouders [die meer dan 100.000 euro op de rekening hebben staan].” 

Dijsselbloem nuanceerde zijn uitspraken nadien, maar sowieso is met het akkoord over Cyprus een taboe doorbroken dat hardnekkig woekert sinds het uitbreken van de eurocrisis: dat een grootbank niet zou mogen omvallen. In Cyprus komt er een regelrechte ontmanteling van Laiki-Bank, de tweede grootste bank van het land. Zij die er meer dan 100.000 euro op een rekening hebben staan, riskeren zowat alles te verliezen boven dat bedrag. Dit zou 4,2 miljard euro moeten opbrengen. De rest van de schade, die onder meer voortvloeit uit onbezonnen leningen aan de Griekse Staat, wordt overgedragen op die andere grote Cypriotische bank, Bank of Cyprus, waar de grote spaarders "ongeveer 30 procent" zouden verliezen. In totaal moet Cyprus zo 5,8 miljard euro vinden in de financiële sector. Daarbovenop krijgt het een lening van 10 miljard euro van belastingbetalers in andere landen, verstrekt via het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het IMF.  Als gevolg van de herstructurering in de bankensector, kan de Cypriotische economie dit jaar met 5 tot 10 procent krimpen, stellen we met Open Europe, wat de staatsschuld relatief nog vergroot en zo tot 148% van het BBP kan doen klimmen. Stabiel is anders.

Er komen bovendien beperkingen op het vrij verkeer van kapitaal vanuit Cyprus. Op zich is dit illegaal, tenzij ze tijdelijk zijn. In het geval van Ijsland zijn ze er nog steeds dus zal het voor Cyprus anders zijn? Het doet alleszins de vraag rijzen of een euro in Cyprus dan wel nog dezelfde waarde heeft als een euro elders, gezien de beperkingen op wat men met het geld kan doen.

Het is allemaal vrij onvermijdelijk: de Duitse verkiezingen komen er aan binnen een half jaar. Niet echt een goede timing voor een “belastingparadijs” waar veel rijke - en ook minder rijke - Russen hun vermogen onderbrengen om hulp te vragen aan het grootste land binnen de eurozone. Aan de ene kant wil Angela Merkel ten allen prijze economische onzekerheid vermijden, maar aan de andere kant kan ze ook niet zomaar zonder enige voorwaarde miljardensteun toekennen. De prijs die Cyprus betaalt is dat het zijn bankensysteem, het hart van zijn economie, moet amputeren. 

In de zomer van 2011 leidde een soortgelijke ingrijpende beslissing tot een domino – effect binnen de eurozone. De Europese leiders beslisten in juli 2011 immers dat aan investeerders in Grieks overheidspapier gevraagd zou worden om een “vrijwillig” verlies te nemen op hun investeringen. Als gevolg daarvan trokken investeerders hun geld terug uit Italië en Spanje. De intrestvoeten die beide landen moesten betalen om zich te herfinancieren schoten de hoogte in, de ECB reageerde door hun staatspapier op te kopen en schreef brieven aan Italië met beleidsinstructies die onmiskenbaar de voorwaarden voor de ECB – steun duidelijk maakten. Het leidde tot het aftreden van Silvio Berlusconi, die werd vervangen door voormalig Eurocommissaris Mario Monti, die op het verhogen van belastingen na niet veel bereikte en de verkiezen dit jaar met glans verloor. De ECB slaagde er met 1 miljard euro aan LTRO – leningen aan grootbanken in december 2011 en februari 2012 niet in om de situatie te kalmeren. Dat gebeurde slechts als gevolg van de – loutere- belofte van ECB – voorzitter Mario Draghi in September 2012 dat de ECB landen in de problemen zou helpen via een nieuw ondersteuningsprogramma, genaamd “Outright Monetary Transactions” (OMT). Zonder ook maar een euro uit te geven wist Draghi daardoor de markten te kalmeren. Hij weet echter zeer goed dat zijn belofte vroeg of laat wordt getest. Als een land zoals Italië dan OMT-steun wil ontvangen, moet onder meer het Duitse parlement zijn instemming geven. Met de rug tegen de muur komt die  er dan wel, maar het zal koren op de molen zijn van de Duitse tegenstanders van de eenheidsmunt. Zeker met de nieuwe cijfers van de Bundesbank in het achterhoofd dat het private mediaan-vermogen van de Italianen maar liefst drie keer zo hoog zou zijn als dat van de Duitsers. 

Cyprus zal ondertussen wel overeind worden gehouden dankzij het systeem van “Emergency Liquidity Assistance” (ELA), waarbij de ECB toelaat aan de Cypriotische Centrale Bank om zelf euro’s te lenen aan Cypriotische banken. Het is een beproefde strategie om ver weg van nationale parlementen financiële noodsteun te organiseren, ook voor Griekenland. Want ook al zijn het de Cypriotische Centrale Bank en Staat die uiteindelijk voor eventuele ELA-verliezen moeten opdraaien, is het toch de Europese belastingbetaler die die laatsten boven water houdt. Laiki-Bank heeft zo 9 miljard euro aan dergelijke leningen openstaan die nu worden overgenomen door Bank of Cyprus. Maar men zal dus lustig daarmee voortdoen.

Naar schattingen de helft van wat op rekeningen van Zuid-Europese banken staat is niet gedekt door de – zogenaamd - Europese garantie van spaartegoeden tot 100.000 euro, die na het debacle van verleden week nu opeens wel rotsvast zou zijn. Wat zullen de eigenaars van dat geld nu doen? Komt er een nieuwe transfer van kapitaal uit Zuid-Europa op gang? Het zou de veelgeplaagde Zuid-Europese bankensector nog dieper in de problemen duwen.  Ondertussen zijn er al nieuwe geruchten te horen over een mogelijke derde ronde van gigantische LTRO - noodleningen aan banken. De moedige maatregel om een bank te laten falen zou op die manier onmiddellijk al weer worden gecompenseerd door een zoveelste riskante interventie van de ECB.

Cyprus en bij uitbreiding de rest van Zuid-Europa zitten hoe dan ook nog steeds met een overgewaardeerde munt en schuldenberg die de zo noodzakelijke economische groei verhinderen. Alternatieven voor noodleningen en verkapte fiscale transfers, het recept dat nu reeds sinds 2010 faalt, werden tot voor dit weekend nog niet overwogen. Nu men bereid is banken overkop te laten gaan, riskeert men besmetting. Toch is het nodig door te bijten. Ook andere taboe’s moeten sneuvelen. Schulden die toch nooit zullen worden terugbetaald moeten worden afgeschreven, en ook banken in Noord-Europa zullen daarom moeten delen in de pijn. Zuid-Europese landen, inclusief Frankrijk, moeten hun concurrentiekracht herstellen door de arbeidsmarkt, lonen en prijzen te liberaliseren en te snijden in de overheidsuitgaven. Als dat niet lukt, herbekijken we best ook het taboe dat rust op het bijeenhouden van de eenheidsmunt.

Monday, March 04, 2013

Begrotingsdiscipline: nog steeds een goed idee voor Italië

Gepubliceerd op DDS
Dat de Italianen geen zin hebben in begrotingsdiscipline, is duidelijk. Om zoals de Duitse krant Die Welt te stellen dat ze daarom “kinderlijk” gedrag vertonen, is echter een brug te ver. De Italiaanse weigering verschilt helemaal niet veel van die in andere Westerse landen. Dat de V.S. bijna niets doen aan hun begrotingstekort is bekend, maar ook de Duitse regering slaagt er in tijden van recordontvangsten niet in om een begroting in evenwicht te realiseren. Een schande, en het maakt elke kritiek op Zuid-Europa eigenlijk ongepast. Ook Nederland gaf deze week te kennen maar al te graag de uitnodiging van Olli Rehn aan te nemen om het bereiken van een begrotingstekort van 3 procent een jaar uit te stellen. 
Velen stellen nu dat het begrotingsbeleid van de Italiaanse Eerste Minister Mario Monti bijdroeg tot een verslechtering van de economische situatie. De “Usual Suspects”, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse econoom Paul Krugman, zijn er natuurlijk als de kippen bij om deze claim te maken. Die laatste sprak zelfs over de “Rehn of Terror”, verwijzend naar Europees Begrotingscommissaris Olli Rehn. De Nederlandse regering denkt daar ongetwijfeld anders over, wat dan weer aantoont hoe weinig gematigd Krugman wel is.
Niettemin is het correct dat het begrotingsbeleid van Monti de economie schade heeft toegebracht. Dat is het evidente gevolg van een resem belastingverhogingen die werden losgelaten op de bevolking. Dat hoeft dan weer niet te betekenen dat begrotingsdiscipline op zich een slechte zaak is. 
Begrotingsdiscipline kan immers op twee verschillende manieren worden gerealiseerd: ofwel door het verminderen van de uitgaven, ofwel door het verhogen van belastingen. Hoewel Monti voor een mix van beide zorgde, gebeurde een groot deel van de inspanning door het verhogen van de belastingen. Onder meer de gezaghebbende Italiaanse Harvard-econoom Alberto Alesina bekritiseerde dit. In juni zei hij : “De regering heeft de belastingen te veel verhoogd (…) Het zou veel, veel beter zijn om de uitgaven te verlagen”. In recente studies staaft hij dit. Hij weerlegt ook de argumenten van Krugman & co. dat het gevoerde monetair beleid of de algemene economische conjunctuur verantwoordelijk zouden zijn voor de heropleving, door aan te tonen dat die factoren er los van staan. 
Kan Monti dan niet trots zijn op het feit dat de rentevoeten die Italië dient te betalen om zich te herfinancieren fors gedaald zijn sinds September? Neen. Ondanks de onzekerheid die de uitkomst van de verkiezingen met zich meebracht, blijven die rentevoeten vrij laag, een stuk onder 6%.  Dit toont aan dat de oorzaak van de daling vooral de loutere belofte van ECB voorzitter Mario Draghi was om landen in moeilijkheden te helpen via een nieuw programma van de ECB, genaamd “OMT”. Voorwaarde daarvoor was dat ze tegelijk ook ESM – steun aanvragen. Die laatste is gekoppeld aan voorwaarden en behoeft ook een stemming in de Duitse Bundestag. Duitse Parlementsleden krijgen dan dus het laatste woord over Italiaans begrotingsbeleid. Vroeg of laat wordt die belofte van Draghi getest. Wie gelooft dat dit duurzaam kan zijn?
Monti’s extra belastingen, onder meer op vastgoed, waren de evidente reden voor het krimpen van de Italiaanse economie. Daarnaast was er echter ook het nagenoeg complete falen van de regering-Monti om iets te doen aan de Italiaanse concurrentiekracht. In het verleden kon een devaluatie of natuurlijke waardevermindering van de Italiaanse munt daar voor zorgen, maar nu kan dit enkel via meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt, minder regelneverij en een efficiëntere overheid. Allemaal uitdagingen die samenhangen met diepgewortelde problemen in de Italiaanse samenleving, waarvan je het Monti zelfs niet eens kan verwijten dat hij het niet op een handomdraai kan oplossen. 
Zelfs als Monti de belastingen echter had verlaagd door een forse vermindering van de uitgaven, was het goed mogelijk geweest dat de Italiaanse groei in het begin ook zou stokken. Dat toont een studie van de ECB althans aan: een begrotingsgat dichtrijden via belastingen schaadt de economische groei minder op korte termijn, maar des te meer op lange termijn. Logisch ook. Als een land artificieel groeit dankzij exorbitante overheidsuitgaven die er op gericht zijn de economie een korte boost te geven, om politici zo te doen her-verkiezen, is het niet te verwonderen dat er een forse terugslag volgt wanneer men de kater probeert te helen door het wegnemen van die korte termijn-stimuli. Maar op lange termijn is het natuurlijk de juiste oplossing.
Een laatste gedachtenoefening: zelfs als Italië een beleid zou voeren van arbeidsmarkthervormingen en privatiseringen, en een vermindering van overheidsuitgaven om zo belastingverlagingen te financieren, brengt dit wellicht slechts op korte termijn soelaas. Italië zou dan wel weer competitief zijn, het moet het dat dan ook blijven. De reden dat het land al die tijd hervormingen heeft uitgesteld was dat het geen eigen munt meer had die onder druk kon komen op de internationale markten, wat vaak een grote stimulans was voor politici om in het verleden hervormingen door te voeren en/of te devalueren. De “monetaire discipline” die een eigen munt bood zal er dus nog steeds niet zijn. Het “slaappil-effect” dat de euro heeft gehad zal ook in dit optimistische scenario nog steeds aanwezig zijn. 
De ECB zal nog steeds een uniform interestvoetenbeleid moeten voeren voor de 17 diverse economieën van de eurozone, met alle mogelijke on-evenwichten tot gevolg. De Italiaanse politieke klasse zal tot slot nog steeds de mogelijkheid hebben om – dankzij de lagere interestvoeten die een muntunie met sterkere economische landen biedt – de bevolking met nog meer publieke schuld op te zadelen dan ooit met een eigen munt mogelijk was geweest. Naast de onontbeerlijke nood aan begrotingsdiscipline, moet Italië zich dus ook vragen blijven stellen over het euro-lidmaatschap. Of preciezer gesteld: Duitsland en Nederland moeten zich die vraag stellen, aangezien Italië de muntunie niet kan verlaten, omdat dit een forse stijging van de in euro uitgedrukte Italiaanse publieke schuld tot gevolg zou hebben. 
Laat ons deze bedenkingen echter gewoon negeren, en vertrouwen op wat de Franse President François Hollande ons onlangs toevertrouwde: “De eurocrisis ligt achter ons!”

Thursday, January 10, 2013

Belgium: Euroland or Switzerland?


Published on Fair Observer 

One of the main challenges for the future of the European Union is the fate of the eurozone. Will it become a sustainable political union, a quasi-country that could be called “Euroland” - or will it break up? Interestingly, Belgium might offer some useful insights on the question. Since at least a century, but really more and more in the last decade, it has been going through various attempts at a break-up itself. Proponents of “Euroland”, which for the sake of argument might be equated to the idea of “Greater Belgium”, should have a look at the country to make up their mind.

After the Flemish moderately nationalist New Flemish Alliance (N-VA) booked a huge victory in the 2010 federal elections, a stalemate emerged, resulting in 541 days of federal government negotiations, the new federal government only assuming office in December 2011.

Many wondered how a country could function for one and a half years with only a caretaker government. The explanation is that politicians are only needed to take long-term decisions, while the day-to-day running of government operations is done by the  permanently employed civil servants.[AP1]  The Netherlands, also, had a caretaker government in 2012 for almost half a year, following the collapse of its coalition government. The real concern in Belgium in 2010 was not instability due to the lack of federal government, but instability because of the threat that the country could split up. [AP2] 

The origins of the tensions

Belgium can be divided culturally into three different parts: Dutch-speaking Flanders in the north, making up 60% of Belgium’s 11 million inhabitants, French-speaking Wallonia in the south, accounting for 30% of the population, and Brussels, the capital, for 10%. Brussels is the biggest city in the Benelux. It is also the seat of NATO and of the most important EU institutions.

Belgium has a federal system of government. The three parts of the country each have their own regional government layer, called “Regions[AP3] ”. On top of that, there are also three so-called “Communities[AP4] ” or government layers that grant both the Flemish and Walloons influence in Brussels, while also providing the small German minority in the east of Wallonia with a degree of self-government.  What is unique in Belgium is that every one of these Regions and Communities is on equal footing with the federal level. While the federal government’s competences are national defence, justice, social security, the governments of the Regions and Communities deal with education, culture, environmental regulations and public planning. For this to work, a lot of conciliation is needed.

Why Brussels matters

It is important to mention the cultural composition of Brussels, as the supposed fear of the Flemings of losing Brussels is seen as an obstacle to independence. While Flemish was once the dominant language, now French has taken over as the lingua franca, in Brussels, with only one third of the inhabitants still speaking Dutch. French is the mother tongue of the majority in Brussels, and Dutch of only around 10%. There is the community of international expats as well, often working for or around the European Union, and finally there are the poor immigrant communities, mainly from Turkey, Morocco and the Congo. The city is gradually becoming more and more international and perhaps even more detached from the rest of the country. 

According to prominent Flemish commentator Rik Van Cauwelaert, 80% of the Brussels economy is focused for on Flanders. He thinks that "Brussels is part of that mega region from Amsterdam until Lille and Dunkerque, whereby Antwerp is at the centre and Brussels at the periphery". Van Cauwelaert expresses the opinion of a lot of Flemings who are becoming less convinced of the importance of Brussels for Flanders. Frans Crols, the former editor-in-chief of Belgian business magazine Trends, has even proposed Flemish independence without Brussels, a taboo for virtually every Flemish politician.

The Crisis of 2010-2011

In 2010-2011, there was no intention of splitting up Belgium, whether one looks at election results or Flemish opinion polls. The big winner of the election, the N-VA, had campaigned for gradual steps to independence, not for secession. The other Flemish parties decided to form a coalition government without the N-VA, as a deal between the N-VA and Francophone parties appeared unfeasible. As a result, the current Belgian federal government does not have a majority among [AP5] the  MPs elected for the Flemish electoral districtsin the Federal Parliament. Three out of four big Francophone parties are in government, giving it a very Francophone “feel”, not corresponding to what Flemish voters have demanded for after the election victory of the N-VA.That is a sensitive issue. European Council President Herman Van Rompuy, the former Belgian prime minister, once warned that if there would ever bea government without a majority in Flanders, it would be “dangerous for the existence of the state”.

That’s because Flanders not only hosts 60% of the Belgian population but also accounts for 83% of exports. On an annual basis, financial transfers from Flanders to Wallonia are estimated to amount between 6 and 16 billion euro a year, depending on whether a French investment bank or a research institute at a Flemish University calculates them. The politician who became prime minister in 2011, Walloon socialist Elio Di Rupo, struggles to speak Dutch, for which he receives a lot of criticism. The Flemish Christian Democrat, Liberal and Socialist parties [AP6] are therefore taking a big risk forming a federal government without the big winner of the elections, the N-VA, and without a majority among Flemish MPs, to keep the country together.

Whether they have made the right decision will be seen in the next federal elections, in 2014. If the coalition suffers heavy losses, it may not be so eager any more to save the country once agai[AP7] n. This decision will depend on the verdict of the Flemish voter. Therefore, we may say that the 2014 elections are really a referendum on the future of Belgium.

The two big issues

There are two contentious issues in the institutional debate in Belgium. The first one has already been mentioned: the fiscal transfers from Flanders to Wallonia and Brussels, 1,000-2,500 euro per Fleming per year. Flemings not only criticise the transfer of the money to the south, but also that it doesn’t really appear to do much good. This is acknowledged by certain Francophones, such as the Liberal politician Alain Destexhe, author of "Wallonia, the Truth of the Figures”, who says that “it can be questioned whether the transfers, coming not only from Flanders but also from the rest of Europe are an incentive for Wallonia”.

The second contentious issue is the definition of the border between north and south. There has been discrimination by the Belgian state until deep into the 20th century against the Flemish majority, for example by using French as the only language of government and legislation. This has led to feelings of resentment which still exist in Flanders today. Di Rupo recently complained that “the Flemings are a majority in this country and yet they behave as a minority. That’s disturbing sometimes.”

A big step to resolve this issue was the agreement on a so-called linguistic border in 1962. Since then, tensions have remained in a number of municipalities around Brussels where a lot of Francophones live, often having moved there from Brussels while outnumbering the original Dutch-speaking population. This is linked to the emergence of a metropolitan area of Brussels, transforming rural areas into urban ones. Because the electoral district of Brussels wasn’t separate from the surrounding area in Flanders, Francophone politicians from Brussels campaigned in the Flemish periphery around Brussels to get elected. For 50 years, therefore, Flemish politicians campaigned to split this electoral district, called “Brussels-Halle-Vilvoorde”, provoking several government crises. A deal was finally reached in 2011 to do so, while making special arrangementsfor Francophones in the Flemish municipalities around Brussels[AP8] . It can be questioned whether this will do much to stop the periphery of Brussels becoming more French-speaking, but in every single country, border-issues are a sensitive political issue.

A more profound reason for why the split-up of this electoral district has caused a lot of political tension over the years is that it raises the chances that the 1962 linguistic border will at one point be recognised as the border between a Flemish and Walloon state. This is because the electoral district’s borders now fall along the linguistic border. The arrangement on the latter provides that there is no territorial link between Wallonia and Brussels. That’s relevant in case of a split-up of the country, analysts in both north and south hold, because of the Uti possidetis principle of international law. According to that principle which has often been applied when new countries have emerged, a territory remains with its possessor at the end of a conflict, unless otherwise provided for by treaty.

This means that in case of a break-up, Wallonia and Brussels would have a hard time forming a country together. This also leads Flemings to believe their chances on keeping Brussels as an island within Flanders are greater. The Francophone inhabitants of Brussels however fear to be enclosed as a minority within Flanders, while a lot of Walloons believe an independent Wallonia can only be economically viable together with Brussels.

The latter belief, that a small country would have more difficulties to survive economically than a big country, is widely held - also internationally. Time and again, it has been proven wrong. Singapore and Slovakia are only two examples. Of the top 20 countries in The Economist's "Where-to-be-born index", 18 are with less than 35 million people. Only Germany and the US just made it. Belgium is at number 15, despite the economic suffering of the south.  

For a small country, it’s not as easy as for a big one to maintain a disfunctional redistributive welfare system, as the one Wallonia is suffering from. Once the transfers to the south of Belgium would be phased out, long-needed reforms would be enacted. The possibility to receive unemployment benefits indefinitely and the inflexible hire-and-fire regulations, both impediments to more job creation, would likely be reformed. Maybe after a period of adjustment, the main winners of a Belgian breakup could well be the people of the less affluent south.

Many in Flanders favour the model of a confederation. Like in Switzerland, the different regions would co-exist in one country, but would be largely responsible for themselves, economically speaking. If the voter decides to create a stalemate again in 2014, that may well be the outcome.





 [AP1]What administration? Clarify.
 [AP2]THis doesn’t make sense: threat of a break-up is unstable – could you clarify what you mean by ‘instability’?
 [AP3]What’s the original word? This one
 [AP4]Original word, not translation? One can translate it like this
 [AP5]I don’t understand this sentence!
 [AP6]Do you mean specifically the Liberal Party, the Socialist Party – or do they have other names? Yes I mean the 3 parties
 [AP7]Save the country in what way?
 [AP8]How? Too complicated to explain. They get more rights to demand official documents in French, for example, and they’ll still be able to vote for politicians in Brussels in some cases.