Wednesday, February 15, 2017

If Britain gets a bad deal, the EU also loses

Published on Open Europe's blog and BrexitCentral

In the EU institutions in Brussels, an assumption made by many is that if the British would get a "good deal" after Brexit, this would be bad for the EU. Even those genuinely concerned that negotiations shouldn't go off the rails, like Joseph Muscat, the Prime Minister of Malta, whose country holds the rotating presidency of the Council of the EU, have stated that “we want a fair deal for the United Kingdom, but that fair deal needs to be inferior to membership….It cannot end up better than the current situation”.

This attitude reveals how many in the EU institutions and member states instinctively consider trade to be a zero-sum game: when one party wins, the other party must lose. Of course, it’s the other way around. If Britain gets a bad deal, for example because it faces tariffs to export to the Continent, the EU also loses. That’s the case not just because Britain could itself seek to impose tariffs on imports from mainland Europe, but because restrictions on investment from the City of London into the Continent would drive up the cost of investment in the EU27.

To be fair, this is appreciated in Brussels to a certain extent. Last month, the EU Commission’s Brexit Chief Negotiator Michel Barnier expressed concern that there would need to be “special vigilance on financial stability risk” as a result of possible EU restrictions imposed on UK-based financial service providers. One senior European official has even remarked that closing London as a euro clearing centre is likely to increase costs for EU banks and companies.  This echoes an estimate made by the CEO of the London Stock Exchange Group, who has warned that if the UK were to lose the ability to clear euro-denominated transactions as a result of Brexit, this would fragment markets and cost European banks an extra £63 bn in additional collateral.
The EU of course would be sensible to avoid cutting itself off from the world’s biggest financial centre, but then all kind of grand strategies are being prepared on the Continent to lure finance jobs from London, for example by limiting UK banks’ ability to operate in the EU. UK banks then would need to set up a subsidiary, putting up new capital to do so, which would hamper their investment in mainland Europe. As so often, special interests may trump the general interest.

This is something that the British need to keep in mind. They must not asssume that the EU institutions are acting purely rationally or shielded from the influence of special interests.

Some EU policy makers in Brussels are not only skeptical about giving Britain a “good deal” because of flawed economic thinking. Some of them actually believe that the EU project would benefit from this. It was reported that Martin Selmayr, the “chef de cabinet” of Jean-Claude Juncker, thinks that “Britain’s departure will help Europe to finally forge a new identity.” But this view is not universall accepted: a senior EU commissioner commented that “Martin is mad — he is positively insane” as “no one else believes this idea that Brexit will unite Europe somehow. I don’t think Jean-Claude believes it either.” Still, although not everyone in Brussels is as radical as Selmayr, the thinking goes that if the British leave the club too easily, others may start thinking of taking this route as well.

While this reasoning may appear sensible at first glance, it doesn’t hold up. Any economic damage for Britain would go hand in hand with economic damage for the EU27, especially for the Benelux, Germany, Malta, Cyprus and Ireland. The EU Commission is often blamed for all the wrongs in the world, so how would it not be blamed for job losses related to this?

Assuming the UK triggers article 50 this spring, a period of two years will then start, after which Britain will automatically leave the EU (unless this period is extended by unanimous agreement).  In Brussels, there is near-consensus that fixing a long-term free trade deal in such a short time span is completely unrealistic. Clearly, Theresa May wouldn’t fancy the prospect of tariffs kicking in one year before the scheduled general election in 2020, with potential job losses as a result. But equally she’s been clear that the government would prefer no deal over a bad deal.

Despite the talk of “setting an example” to others, many on the EU side would be genuinely unhappy with a cliff edge. Some in Britain may think that this prospect would drive the EU to agree some kind of a deal, perhaps temporarily. They may be right, but there’s little certainty.

There is willingness to conclude a transition deal, but both the Commission and  the Council presidency have (so far) stated that during that period the UK would be subject to EU rules and jurisprudence without having a say. A Belgian high-level business group advising the government on Brexit has stated that if the UK refuses this, Belgium should still remain “remain open minded” and prioritise avoiding tariffs. The question is if this view will prevail. One senior European official, commenting on a transition deal, told Reuters that "the technicians of course say it's obvious. But frankly, politically it's not at all. (…) Do the Brits really want it? On the kind of terms we can offer? There's a real danger they will just fall off the cliff."

Although Theresa May wants to avoid an “unlimited transitional status”, she has acknowledged the case for a “phased process of implementation”, for example on a sector-by-sector basis. But she doesn’t have long to agree this.

Will she be successful? Perhaps. As so often with things in Brussels it will come down to politics above all else. As we saw with the imposition of EU sanctions against Russia politics can triumph over economics. If the politics is of punishment and setting an example then the consequences could be bad: a cliff-edge Brexit with tariffs and no winner on either side. But if the politics is more constructive things could become much easier.

Thursday, January 19, 2017

Vier mogelijke vervolgscenario's voor de Brexit

Gepubliceerd op

Na de toespraak van Theresa May is het voor iedereen nu echt duidelijk wat de Britse regering wil bereiken met de brexit: zo veel mogelijk toegang tot de Europese markt, zo weinig mogelijk betalen voor de Europese begroting, en controle over de migratie vanuit de EU. Wie denkt dat May veel keuze had om ‘in de interne markt’ te blijven, vergist zich. In tegenstelling tot Noorwegen, Liechtenstein en Ijsland, zou Groot-Brittannië nooit bereid zijn om EU-regels automatisch en zonder er over te kunnen stemmen over te nemen. Als gevolg hiervan is de onbeperkte Britse toegang tot de Europese markt niet langer zeker, wat men in de onderhandelingen zal proberen goed te maken.

In de Europese instellingen in Brussel gaan velen ervan uit dat als Groot-Brittannië een “goed” akkoord uit de brand redt, dat meteen het Europese project schade toebrengt. Zelfs zij die er oprecht om bekommerd zijn dat er geen vechtscheiding mag komen, zoals bijvoorbeeld Joseph Muscat, de premier van Malta en voorzitter van de Europese Raad,  verklaren dat de nieuwe status van het Verenigd Koninkrijk in ieder geval “minder gunstig dan een lidmaatschap van de EU” moet zijn. Dat zei overigens Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker al  de dag voor het Britse referendum afgelopen juni plaatsvond.

Die houding verraadt dat velen in het EU-apparaat menen dat handel eigenlijk geen win-winverhaal is. Dat is natuurlijk fout. Een ‘slecht’ akkoord voor de Britten houdt in dat zij minder makkelijk handelstoegang krijgen tot het Europese vasteland. Dat leidt mogelijk niet enkel tot Britse tegenmaatregelen leiden ,zoals het beperken van de invoer vanuit de Benelux en Duitsland, maar heeft ook gevolgen voor de financiële sector. Want zelfs als de Britten erin slagen zich te bedwingen, zullen beperkingen voor de “City of London”, het grootste financiële centrum ter wereld, om te investeren op het Europese vasteland natuurlijk de investeringskosten de hoogte in jagen. Het bouwen van voetbalstadions en bruggen, of het financieren van overheden. Het wordt allemaal duurder;

Eerlijk is eerlijk:  dat besef dringt tot op zekere hoogte door in de Europese Commissie. Michel Barnier, de hoofdonderhandelaar van de Commissie, heeft ervoor gewaarschuwd dat de ‘financiële stabiliteit’ een ‘risico’ vormt in geval er geen akkoord komt  over het vermijden van handelsbelemmeringen na een brexit. Een Europese topambtenaar stelde zelfs dat als Londen niet langer zou fungeren als het centrum van financiële ‘clearing’ van transacties in euro, dit tot hogere kosten kan leiden voor banken en ondernemingen in de EU. Zo berekende de Londense beurs dat in zo’n geval banken in de EU een extra onderpand van 70 miljard euro moeten voorzien, als gevolg van het fragmenteren van de markt. Wanneer de Europese Unie bovendien geen toestemming geeft aan  grootbanken, zoals bijvoorbeeld Credit Suisse, om vanuit Londen de EU te bedienen na de brexit, zij in dat geval een dochteronderneming dienen op te starten op het vasteland. Een onderneming  die een grote kapitaalinjectie vergt.

Al is concurrentie  gezond en kunnen we enkel hopen dat België erin slaagt om ondernemingen uit Londen aan te trekken. Wanneer dat gebeurt als gevolg van protectionistische regelgeving zijn daar  grote kosten aan verbonden. Goed voor Belgische, Nederlandse en Duitse grootbanken, die op die manier de Britse concurrentie kunnen verzwakken, maar slecht voor het investeringsklimaat en de consument als gevolg van oplopende kosten om te investeren in de EU.

Rationele economische logica of het nemen van beslissingen zonder de input van belangengroepen vormen niet steeds de leidraad in de Europese instellingen. Sommigen daar, zoals bijvoorbeeld de kabinetschef van Jean-Claude Juncker, zijn er zelfs van overtuigd dat ‘het vertrek van Groot-Brittannië Europa zal helpen een nieuwe identiteit aan te nemen’, een uitspraak die een van de Europese Commissarissen trouwens als ‘waanzinnig’ bestempelde. Ook de groene politicus Wouter De Vriendt zei: “Exit moet een prijs hebben. Anders komt er nog meer uitval uit de EU.” Een vaak gehoorde stelling, maar klopt ze ook? Helemaal niet. Handelsbelemmeringen voor Groot-Brittannië en navenante tegenmaatregelen zorgen voor banenverlies  op het continent, bijvoorbeeld in de haven van Zeebrugge of in de Duitse autosector. Volgens ING Bank kan de Belgische uitvoer naar het VK in een pessimistisch scenario zelfs 21% tot 26% duurder worden. De Europese Commissie krijgt vaak onterecht kritiek, maar het bemoeilijken van handel met de Britten, wat banenverlies veroorzaakt, zal het ‘anti-Europa’ gevoel op het Europese vasteland alleen maar aanwakkeren.

Een club die populair wil worden, moet positieve stimulansen proberen te geven om er bij te blijven. Het bestraffen van leden die de club beu zijn in de hoop dat dit anderen zal afraden om hun voorbeeld te volgen, zorgt enkel voor een grimmige sfeer. De EU kan echt wel weer populair worden, maar dan moet ze zich beperken tot daar waar ze populair is: het schrappen van handelsbelemmeringen.  Transfers en betutteling laat ze maar beter achterwege.

Los van de toekomst van de EU rijst natuurlijk de vraag wat de onmiddellijke toekomst van de verhouding tussen Groot-Brittannië en de EU brengt. De Britse regering zal de procedure uit artikel 50 van het EU-Verdrag in de lente van dit jaar activeren, waardoor een periode van twee jaar start. Daarna stapt het VK automatisch uit de Europese Unie, al kan die periode jaar per jaar worden verlengd met unanieme instemming van alle lidstaten.

Zo wordt een risicovolle deadline in het leven geroepen, in de lente van 2019, waar de Britten en de EU zullen moeten kiezen tussen vier verschillende scenario’s, die onwaarschijnlijk dan wel onwenselijk zijn:

Een vrijhandelsakkoord tussen Groot-Brittannië en de EU

Dat is zeer onwaarschijnlijk, aangezien dergelijke onderhandelingen makkelijk vijf tot zeven jaar kunnen aanslepen, rekening houdend met andere handelsakkoorden. Het is natuurlijk wel zo dat Groot-Brittannië in dat geval al de volledige EU-wetgeving in voege heeft, wat bijvoorbeeld niet zo was voor het EU- akkoord met Canada. Maar dat is dan ook de enige factor waarom het akkoord  in binnen een periode van twee jaar kan worden afgerond . Sommigen denken dat twee jaar zelfs te kort zal zijn om een akkoord te sluiten over de exit van de Britten,  wat nog los staat van de toekomstige status van het Verenigd Koninkrijk. Dan gaat het over de vraag zoals wie de lopende facturen uit de EU-begroting moet betalen. Op lange termijn zal er uiteindelijk wel een handelsakkoord komen, gezien de belangen, waarbij de Britten markttoegang krijgen in ruil voor het overnemen van EU-regels, zoals dat ook goed werkt tussen de EU en Zwitserland. Maar twee jaar is allicht te kort.

Een overgangsakkoord tussen Groot-Brittannië en de EU

De Britse Premier Theresa May zelf lijkt niet echt te geloven in een vrijhandelsakkoord op twee jaar tijd, aangezien ze de mogelijkheid van een overgangsakkoord besprak in haar recente toespraak. Daarbij vermeldde ze dat de exit van het Verenigd Koninkrijk in ‘fases’ zou kunnen verlopen, waarbij kan worden vermeden dat plotseling tolmuren worden opgetrokken in de lente van 2019. Het probleem bestaat erin dat wanneer toegang wordt verleend aan een land dat geen lidstaat van de EU is, dat natuurlijk eveneens een vrijhandelsakkoord betreft, ook al zou het dan maar voor een beperkte periode zijn. Volgens een Europese onderhandelaar is zo’n overgangsakkoord ‘misschien evident voor technici, maar politiek is het dat allerminst (…) Zal men onze voorwaarden aanvaarden?’. Dat laatste zeker omdat de Britse regering nog steeds verdeeld is over de wenselijkheid van een dergelijk overgangsakkoord.

Commissie-onderhandelaar Barnier maakte al duidelijk dat Brussel Groot-Brittannië zou vragen de Europese regels over te nemen indien het gedurende die overgangsperiode markttoegang wil behouden. Ook het EU-raadsvoorzitterschap wil dat de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie gerespecteerd wordt. Precies wat de Britse regering helemaal niet wil, tenminste niet op lange termijn. Het is helemaal niet vanzelfsprekend dat dit aanvaard wordt voor een overgangsperiode waarvan het bovendien misschien niet duidelijk is hoe lang die kan duren. We moeten dus besluiten dat het ook heel ambitieus klinkt om een overgangsakkoord binnen een periode van twee jaar af te sluiten.

Een ‘cliff-edge brexit’ met tolmuren

Dat is althans wat er gebeurt op juridisch vlak wanneer het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat zonder akkoord. Slechts dan pas is het  land ook in staat om lid te worden van de Wereldhandelsorganisatie, wat evenwel vlot moeten kunnen verlopen. Tolmuren in 2019 lijken op het eerste gezicht politieke fictie, maar uitgesloten zijn ze niet. In Groot-Brittannië zijn vele ‘brexiteers’  trouwens voorstander van een dergelijk scenario, en niet omdat ze tegen vrijhandel zijn. Ze gokken dat de rede wel zal zegevieren en dat de Europese Unie, gezien de economische kosten, snel een soort rudimentair vrijhandelsakkoord zal sluiten dat op zijn minst tolmuren vermijdt. Misschien krijgen ze wel gelijk, maar het is in elk geval een gevaarlijke gok met een grote economische inzet.

Een verlenging van de onderhandelingsperiode van artikel 50

Bovenstaand scenario wordt bijna nooit besproken, niet zozeer omdat elke EU-lidstaat het kan blokkeren, maar omdat het in Groot-Brittannië een absoluut taboe is. De druk om de uitslag van het referendum meteen uit te voeren is bijzonder groot. Natuurlijk blijft het mogelijk dat Theresa May vervroegde verkiezingen uitschrijft in 2017 of 2018, nog voor er voor een van de vier scenario’s moet worden gekozen. Dankzij een overwinning op een zwak presterende Labour – oppositie kan May mogelijk  vijf jaar tijd kopen om bijvoorbeeld op zijn minst een overgangsakkoord te sluiten, maar ook dat pad is bezaaid met allerlei onzekerheden.


Voor het Verdrag van Lissabon met artikel 50 een procedure voorzag om de EU te verlaten, was het eenvoudig: een land dat uit de Unie  wilde stappen, moest  onderhandelen tot er een akkoord bereikt werd. Er moest  zowel over de exit als over het vermijden van handelsbelemmeringen na de exit worden onderhandeld. Duurde dat vijf tot zeven jaar, dan was er na twee jaar geen punt waarop beide partijen dienden te beslissen of ze de onderhandelingen al dan niet zouden voortzetten. Het doel van artikel 50 bestond erin de EU meer gewicht te bieden in de onderhandelingen, maar het zorgt er nu voor dat we binnen twee jaar misschien wel opnieuw tolmuren zien opduiken tussen Groot-Brittannië en het Europese vasteland.  Dat levert geen winnaars op.

Tuesday, January 10, 2017

The eurocrisis threatens the core tenet of the European Union: the ban on State Aid

That the eurocrisis has led to a continuous watering down of EU budgetary deficit rules, fiscal transfers through bailout schemes and monetary transfers through the ECB, needs little explanation.

That the EU wasn't going to be serious about applying its own rules on bail-ins when banks get into trouble, could also be foreseen. The institution itself in charge of supervising eurozone banks, the ECB, is in the business of propping up unsustainable banks, as it for example allowed Greece and other eurozone states to prop up banks through the "emergency liquididity assistance" (ELA) scheme which allows national central banks to print euros to prop up banks. The "l" in ELA stands for "liquid", so this scheme is obviously not meant to prop up insolvent banks like those in Greece. Even if there would be a  "Chinese wall" between the office of the ECB's supervisor-in-charge, Elke König, and that of ECB President Mario Draghi, there may not be a Chinese wall between their offices and the reality that bank failures would cause great disruption and that an armada of politicians is always pushing to kick the can another few years down the road.

Now the crisis of the EU's common currency project has started to undermine the central core tenet of the European Union: competition policy. 

Then I'm not speaking of the politicised and dysfunctional anti-trust department of DG Competition. The EU's Competition Commissioner, Margrethe Vestager (picture), herself, has stated that "I find it only natural that competition policy is political", with as a clear result serious political tension with the United States.

I'm thinking of the State Aid department of the European Commission, which is understaffed, unlike DG Kumbaya and DG Posturing, and responsible for making sure EU member states do not provide any favourable treatment to any market participants, as this would distort fair competition in Europe.

EU state aid policy is far from perfect, but if there is an area where the EU Commission should act, it is here, given that its actions are largely about stopping member states from doing something, not from imposing certain one-size-fits all instructions. It's one thing that the ECB refuses to do its supervisory job at the very first big test - reminding of the Roman saying Quis custodiet ipsos custodes or "Who will guard the guards themselves"? It's an another that with the arrival of the EBRRD framework - once the quid pro quo for Northern Europe bailing out Spanish banks, we could maybe hope that the EU Commission would at least not bend immediately when facing aggressive pressure from Italian Prime Ministers. How wrong were we.

Bloomberg reports that the Italian 8.8 billion-euro bailout of the (ECB-fueled) world's oldest bank, Monte dei Paschi di Siena, "an institution that has been on the verge of collapse for years" and "precisely a case for resolution”, according to the Greens in the European Parliament, has already cleared the first state aid hurdle. A bailout is permitted under the EU Commission's already loose state aid rules when a “crisis situation persists” in the EU. The Commission hasn’t revised that assessment in the three and a half years since it declared a crisis at the time of the trouble in Cyprus in 2013, despite the fact that Commissioner Vestager promised in 2014 that “we have to come back to the usual application of state-aid control in the banking sector” while she was “ready to do so as soon as the market conditions permit.”

Crisis truly is the health of the State, or at least in this case, of the Italian State. If the EU continues to undermine the core of what it stands for, people will start wondering what it's for.

Monday, January 09, 2017

Don't blame economic globalization, blame global governance and national mismanagement

Economic globalization is good. Supranational power grabbing and national failures to reform the welfare state are the problem.

Also published on CapX 

Writing in the Wall Street Journal, the newspaper’s Chief Economics Commentator, Greg Ip, argues that “The world's ideological divide isn't left versus right, it's globalist versus nationalist, and globalists have work to do.” 

He makes a few accurate remarks but is largely missing the point, which I’ll argue hereunder, quoting from his piece:

To start off, he asserts:
“Supporters of these disparate movements are protesting not just globalization—the process whereby goods, capital and people move ever more freely across borders—but globalism, the mind-set that globalization is natural and good, that global governance should expand as national sovereignty contracts… Their targets are such global structures as the EU, the World Trade Organization, NATO, the U.N. and the North American Free Trade Agreement.” 
To his credit, Ip makes a distinction between scrapping borders and concentrating power at the supranational level. The former is fundamentally a good and still popular thing. Nobody in France protests the EU makes sure Ryanair is allowed to operate there. Mass migration is of course less popular, but it’s debatable how connected this is, while it also is a phenomenon that really only took off in Europe in the last thirty years (at least when one looks at the pace). 

While it is true that the populist forces attack both scrapping borders and concentrating power, it’s however incorrect to argue that these necessarily need to go hand in hand, which also Ip does seem to think, thereby agreeing with the populist armada, as he writes: 
“By ceding modest amounts of sovereignty to international institutions, a country could make the world, and itself, far stronger than by pursuing its own narrowly defined interests.” 
As I’ve explained, the EU could perfectly concentrate on scrapping national protectionism without almost ever imposing EU-wide harmonized one size fits all regulation agreed at the EU level for 500 million people. The EU actually used to function more like this, but since the 1980s, many national decision making vetoes were scrapped, so it became easier to harmonise, while politicians were also just very keen to try to replace national protectionism by European protectionism. Some crony business lobbies obviously didn’t object.

The journalist also argues:
“But globalists would be wise to face their own shortcomings. They have underestimated the collateral damage that breakneck globalization has inflicted on ordinary workers, placed too much weight on the strategic advantages of trade and dismissed too readily the value that many ordinary citizens still attach to national borders and cultural cohesion.” 
He does have a point that less barriers to trade can create disruption, especially in economic sectors that have been overprotected for years (think steel, or even the taxi sector, where ordinary taxi drivers who paid huge fees for their legally protected monopoly suddenly see Uber entering the market, exploiting technical-legal loopholes). 

Such “collateral damage” should really be blamed on the protectionism preceding it, similar to how Russia’s suffering in the 1990s should be blamed on the preceding 70 years of extreme economic planning and not on whoever was in charge then.  

To deal with such collateral damage, Ip seems to suggest some kind of economic transfers (welfare): 
“If globalists are to regain the public’s trust, they will need to re-examine their own policies. The dislocation caused by past globalization casts doubt on the wisdom of prescribing more. That globalization’s winners can compensate its losers makes impeccable economic logic, but it rings hollow among those too old to retrain or move.”
Think of the taxi driver who’s just been driven out of business by Uber, while still having to pay back that huge loan he took out, hoping to be able to enjoy a monopoly for years. Do we really help this person by not “prescribing more” competition, which would result in more cheap imports from Asia? Of course not. Especially the weakest in society are dependent on trade openness, as they spend a higher share of their income or savings on things like clothing and food, that have become cheaper thanks to lowered barriers to trade. 

The real problem in the West isn’t so much that many factories have shut down or moved but that not enough alternative businesses have been started to compensate for the pain. A quick glance at the West’s ailing welfare states reveals a business environment of high taxation, unpredictable and stifling regulation and great public and private debt, promising more trouble ahead. Is it any wonder people are reluctant to invest and create new companies? 

Ip complains in particular about China, writing: 
“A wave of Chinese imports wiped out 2 million American jobs, according to one widely cited 2016 study, with no equivalent boom in U.S. jobs linked to exports to China.” 
He’s missing the point here. Those 2 million American jobs should of course not be replaced by jobs related to exports to China. They should be replaced by jobs which are the result of savings made thanks to falling prices. An example: when Joe Sixpack can save $300 because Apple can produce smartphones with cheaper labour in China, he has $300 more to spend in America, on American products, enabling American companies to survive. Obviously he may as well spend it on non-American products, but the fact that the savings were made in the U.S. makes it more likely the ultimate gains in terms of more investment will also end up in the U.S. 

The author further makes a few valid points, for example that China engages in “discrimination against foreign investors and products and an artificially cheap currency”. Although also the other trade powers do that, it’s true that China is more aggressive in this, which raises valid questions on how to trade with autocratic centrally steered countries. Again, however, the answer is not to impose tariffs, as this would hit Western consumers and importers hard (to the extent that it’s possible in today’s world, with its complex supply chains, to distinguish between “importers” and “exporters”). Anyone investing in China or buying products or services there should heed the advice of the Romans: “caveat emptor” or “let the buyer beware”. 

I won’t develop on Greg Ip’s wrong analysis of the euro’s ills, which he blames on “German trade surpluses” (I do that here), but I agree with his assessment that “much of the backlash against immigration (and globalism) is not economic but cultural” and that “globalists should not equate concern for cultural norms and national borders with xenophobia.” 

Also here, however, not the sheer scrapping of trade barriers is what has angered so many people, but supranational power grabs over immigration policy or national budgets. Surely one can make a good case for EU freedom of movement and how it’s necessary to allow people to move permanently in Europe if one wants to really free up trade, but should the right to move to another EU member state really be unrestricted? At the moment, seven million Spanish could move to France, if they wanted to (and one million British have actually moved to other EU states). Would it be so unreasonable to cap this at a “culturally acceptable level”? Again, I don’t think it’s a good idea (in Europe), but it may well be wise to implement if only to maintain open trade with Britain after Brexit. 

More pressing is of course immigration from outside of the EU – given how non-Europeans tend to integrate less easily into Europe then Europeans. If only Europe’s current borders would be respected, through Australian-style border protection, and the ongoing large flow of irregular migration would be stopped, we’d see a lot less support for the populists who are keen to throw out the free trade baby with the migration chaos - bathwater.  

Friday, January 06, 2017

Is Schengen dead?

The « tour of Europe » by the terrorist who attacked a Christmas market in Berlin last month has renewed calls for stricter controls of the Schengenzone’s internal borders.

Two developments are ongoing:

1.      The Schengenzone’s weak external border is putting internal borders under pressure

First of all, there is an extension of relatively modest border checks at some of the borders of Sweden, Denmark, Norway, Germany, Austria, Belgium, France and some other EU countries. Here’s a list of all temporary checks.

Key were Sweden’s decision near the end of 2015 to impose checks due to an “unprecedented influx of persons”, which also ended the massive size of the influx, and Austria’s decision during the same period, which forced the states along the so-called “Balkan Route”, through which many asylum seekers came to Northern Europe, to also impose checks. That on its turn forced Greece to tell irregular migrants to stay on the Greek islands if they wanted to apply for asylum (not something Greece seems to be organizing well), on its turn sending a signal to potential migrants in Turkey not to try their luck, which resulted in the near-end of drownings in Turkish-Greek waters and a big drop in the number of people reaching Europe in March (apart from of course the deal with Turkey).

The same policy of forcing asylum seekers to await their asylum request still has not been implemented by Italy, which allows people to travel on after they have been saved, despite some efforts to install a very imperfect system of fingerprinting. As a result, 4410 people have died across Italy’s coast, while almost 180.000 still made it to Europe in 2016 through the dangerous “Central Mediterranean route”.  Some pressure is being applied on Italy. Austria has for example threatened to close the border with Italy and may do so again. A related issue is the large scale failure to repatriate denied asylum seekers to their countries of origin. As long as EU countries somehow fail to force EU-funds receiving Northern African countries to take back their own nationals, these people will continue to try their luck. Belgium and Spain have a deal on this with Morocco. Why can’t the EU force Morocco to extend this deal to all EU member states?

I have argued that given the scale of the challenge, it’s better and probably cheaper for developed nations to create a new Hong Kong, where refugees, economic migrants and those denied asylum could be safely welcomed. But pending this, the immediate priority for Europe should be to avoid deaths in its own waters and save the Schengen zone by closing the external border.

The temporary checks within Schengen are expected to last at least until Germany’s elections in fall, but given their limited nature, it’s more the fear that they may become permanent than the checks itself that are concerning. The longer Italy refuses to copy Greece’s approach to no longer let asylum seekers travel on, the more Schengen is endangered.

2.      Schengen may be undermined by increased regulation of travel within Europe

A second development is how the increased complications to travel by air are likely to be extended to bus and railway transport. Belgian plans to force rail and bus companies to register passengers and pass the data on to the authorities is likely to find support from neighbouring countries, although Germany is still reluctant, due to its strong support for privacy, dating back to its experience with national and international socialism. The question is also whether all Schengen states will be able or willing to participate to this and whether Parliaments from other countries will be as keen to monitor how their security services deal with data from non-nationals as they would be when dealing with data from nationals.

A pessimistic leader in Dutch daily NRC Handelsblad today argues that once these arrangements are in place, it’ll not only mean that we may lose more time to travel by train or bus but also that our private car travel will come into the picture as the last unmonitored way of transport, which could ultimately lead to permanent border checks and the break-up of Schengen. It rightly raises the question: “then we’re giving up precisely those European freedoms which we’re trying to protect from terror”.


Belgian Interior Minister Jan Jambon is leading the drive to register bus and railway passengers but still has remarked that “one wouldn't want to live in a society which is 100% safe”. He’s of course right and we badly need an urgent debate on how much the loss of privacy has actually contributed to security.

The well-documented failures in Belgium, Germany and France by police and intelligence services to fight terror show that a lot of improvements can be made in improving their functioning before we continue to give up privacy or complicate travel within Europe needlessly.

Thursday, January 05, 2017

Why Le Pen is wrong to say the French wouldn’t feel any consequences of a return to the ECU

French far right leader Marine Le Pen yesterday shed some light on how she would see France’s monetary arrangement after it would have left the euro and reintroduced the franc. Apart from her suggestion to reinstate a basket of currencies, similar to the ECU, she claimed that “a national currency co-existing with a common currency would not have any consequences on the French's daily life”. 

This is incorrect, apart from the fact that I think it’s a good idea to get rid of the euro, given how it enables more unsustainable debt than national currencies (private currencies would be even better in this regard). The ECU was nothing more than an advanced form of currency pegging. If currency pegs appear unsustainable, they break up anyway. To reinstate the French franc would be a major event, for the following three reasons:

- The end of easy money: 

French banks would no longer enjoy easy money from the ECB, as they would now be dependent on the French Central Bank for their funding. The more a currency is used, the more a Central Bank can get away with uncontrolled monetary expansion. The more monetary expansion, the lower the interest rate – given how the latter constitutes the price of money. As a result, the interest rates French banks pay to borrow from their Central Bank would go up considerably, which would result in higher interest rates for French public borrowing. In short: savers would win (as they’d enjoy higher yield), politicians would lose. The French state would need to cut back its spending considerably. 

- A possible French state default:

A French euro exit may well lead to a French state default, given how the French State’s external debt would increase relative to the performance of the new French franc. 

- Depreciation of the new currency:

French savers will enjoy higher interest rates, but on the other hand their purchasing power will suffer from the likely depreciation of the French franc. However, as opposed to countries like Greece, the euro’s valuation isn’t dramatically out of lockstep with France’s economic performance, so we shouldn’t overplay this third reason.

If Marine Le Pen would be elected French President – unlikely, given how opinion polls surely can’t be that wrong – and if she would then hold a referendum on the euro, I think the French are very likely to vote to stay in the Eurozone, precisely for the three reasons listed above. Would people keep their deposits in French banks, in the run-up to the euro - referendum? They surely will be afraid, but in any case the argument that their deposits would be endangered in case they vote against the euro will convince. 

If the euro collapses, it’s likely to be as a result of a financial event, not a political one, when Germany will be unwilling to destroy the German savings base to save the euro after a major financial crash. That moment may take a long time to happen or it may happen tomorrow, but at some point Germany’s willingness to bail out the euro will end – at least that’s what I suspect.

Wednesday, December 21, 2016

Vijf prioriteiten voor het Belgische EU - beleid in tijden van Brexit

Ook gepubliceerd op Internationale Spectator, het magazine van de Nederlandse denktank Clingendael, alsook op de Vlaamse opiniewebsite Doorbraak.

De uitslag van het Britse referendum over lidmaatschap was voor het Europese Unie - project ongetwijfeld de belangrijkste gebeurtenis van 2016. België is wellicht de lidstaat die het meeste voordeel haalt uit Europese samenwerking. Niet enkel zijn de meeste EU-instellingen in Brussel gevestigd, bovendien is de Belgische open economie ook bijzonder afhankelijk van handel, die bevorderd wordt door het vrijhandelskader van de Europese Unie.

Hieronder teken ik als Belgische “EU-watcher” vijf beleidslijnen uit die België moet vooropstellen, wil het haar belangen veiligstellen in het kader van “Brexit” en de toekomstige ontwikkeling van de Europese Unie. Deze doelstellingen zijn goed voor alle lidstaten, maar in het bijzonder voor het land wiens lot nauw verbonden is met dat van de Europese Unie:     

1.      Zorg dat er een “vriendschappelijke Brexit” komt

Groot- Brittannië is voor België de op drie na grootste exportmarkt. Sommigen binnen de Europese instellingen, zoals bijvoorbeeld de kabinetschef van Jean-Claude Juncker, leven met het idee dat een harde aanpak van de Britten op de ene of andere manier andere lidstaten er van zou kunnen weerhouden om uit de EU te treden. In de realiteit zouden handelsbarrières natuurlijk tot jobverliezen leiden aan beide kanten van het kanaal. Van de 2,5 miljoen wagens die vorig jaar de haven van Zeebrugge passeerden, hadden er maar liefst 1 miljoen Groot-Brittannië als bestemming. De Europese Commissie krijgt vaak onterecht kritiek voor zaken waar het niet verantwoordelijk voor is. Het is een raadsel waarom het denkt populairder te worden wanneer het voor jobverliezen zorgt. De Vlaamse economie, die goed is voor 87% van alle exports naar het Verenigd Koninkrijk, zou in geval van een “vechtscheiding” over Brexit zo maar even 2,5% kleiner worden. In geen geval kan België zich dus experimenten permitteren waarbij de Britten geen goed akkoord verkrijgen in de hoop dat de Fransen of Nederlanders om de één of andere bizarre reden dan minder eurosceptisch zouden worden.

De Britse regering wil vooral opnieuw controle verkrijgen over wie al dan niet het recht heeft om zich in het land te vestigen, maar maakte tegelijk duidelijk dat het een grote mate van migratie zeker wil behouden, gezien het economische belang hiervan. In het Britse referendum stemden vooral de delen van het land die op korte termijn veel verandering in migratie zagen voor Brexit, eerder dan de plaatsen waar veel migranten wonen. Er is een sterke politieke wil in Groot- Brittannië om handelsbelemmeringen absoluut te vermijden, dus het toestaan van beperkingen op migratie die in de praktijk al bij al weinig verschil zullen uitmaken zou een redelijke uitkomst voor beide partijen kunnen zijn.

De hoogste regionen van de Belgische politiek zijn verdeeld over dit thema, ook al gezien het feit dat bijna alle exports naar het VK vanuit Vlaanderen komen . Geert Bourgeois, de Minister-President van Vlaanderen, is een groot pleitbezorger van een “vriendschappelijke Brexit”. De Belgische Premier Charles Michel liet daarentegen heel wat kritischer geluiden horen en legt de nadruk op allerlei “voorwaarden” die moeten worden vervuld om vrijhandel en wederzijdse marktoegang te laten voortduren. Politiek zit hij ook meer op de oude, euro-federalistische lijn, net zoals velen binnen de Belgische EU-diplomatie.

2.      Hervorm de EU tot een vrijhandelsunie, weg van het “federale” idee, om de steun voor het Europese project te verzekeren

Ondanks de grote voordelen die de Belgische economie geniet door de open grenzen die het gevolg zijn van Europese samenwerking, zijn veel Belgen toch ook kritisch voor de EU. Volgens een Ipsos-peiling in mei wil zelf bijna één op drie de EU verlaten. Het is dan ook geen toeval dat de twee grootste politieke partijen van het land ook een aantal kritische geluiden lieten horen de afgelopen jaren. De grootste partij van het land, N-VA, noemt zichzelf “eurorealistisch”, neemt gelijkaardige standpunten in over de EU als de Nederlandse VVD en is in het Europese Parlement een bondgenoot van de eurosceptische Britse conservatieven. De Franstalige Parti Socialiste kwam dan weer fel uit de hoek wanneer de Europese Commissie zich met het Belgische begrotingsbeleid wilde inlaten en schroomde zich ook niet om tegen de rest van de EU in te gaan met betrekking tot het handelsverdrag tussen de EU en Canada. Daarbij zegt de partij trouwens uitdrukkelijk niet tegen handel te zijn, maar wijst ze integendeel op mogelijk verlies van soevereiniteit als gevolg van de oprichting van een nieuwe supranationale rechtbank.

De manier om hier mee om te gaan is natuurlijk niet het kind met het badwater weggooien en de EU dan maar opblazen. Weinig burgers hebben er een probleem mee dat de EU lidstaten dwingt om Ryanair te laten opereren. Telkens opnieuw als er protest is, komt dat doordat de EU zich inmengt in nationaal begrotingsbeleid, transfers organiseert, “trojka’s” met buitenlandse ambtenaren laat afzakken naar de lidstaten als voorwaarde voor die transfers, of gevoelige beslissingen over asielbeleid wil opleggen. Toegegeven: vrij verkeer van personen is daar een uitzondering op, maar de arbeidsconcurrentie vanuit Oost-Europa is voornamelijk problematisch in landen die een extreem hoge arbeidsbelasting heffen op hun eigen bedrijven en is dus een nationaal probleem.

Als de Europese Unie opnieuw populair wil worden, moet ze zich beperken tot daar waar ze populair is: het schrappen van handelsbelemmeringen. Aangezien België de lidstaat bij uitstek is voor wie het economisch en politiek van het allergrootste belang is dat de EU overleeft, moet België ook deze agenda vooropstellen.

Mark Rutte, de Nederlandse Eerste Minister, waarschuwde onlangs: "Als je van Europa houdt, houd dan op met dromen van meer Europa." Wie houdt er meer van de EU dan Belgische diplomaten? Zij zouden moeten beseffen dat het verder vrijmaken van de onvoltooide Europese binnenmarkt al ambitieus genoeg is. Om dat te doen, is er niet steeds meer Europese regelgeving nodig, maar moet de Europese Commissie voornamelijk focussen op het wegwerken van nationale belemmeringen, die het bijvoorbeeld onmogelijk maken in sommige lidstaten om een buitenlandse wagen aan te kopen of de deeleconomie (Uber, BlaBlaCar) uit te rollen. Zeker in tijden van “e-commerce” zou dat de EU wel degelijk populair kunnen maken. Het nastreven van steeds meer geld- en machtstransfers naar het Europees niveau betekent daarentegen de kortste weg naar een opstand van de kiezer tegen de Europese Unie, die in vele lidstaten reeds zichtbaar is.

De Belgische Premier reageerde na het Brexit referendum dat dit een “signaal” is dat de EU meer dan ooit nood heeft aan hervorming. Hopelijk beseft hij welk soort hervormingen: minder Europese harmonisering, meer focus op het schrappen van protectionistische nationale regels, verhinderen dat het Europees Hof van Justitie de bevoegdheden van de EU te breed interpreteert (bijvoorbeeld door de oprichting van een Europees Subsidiariteitshof dat hierover waakt), opgeven van EU-quota voor asielzoekers en natuurlijk het schrappen van miljardentransfers en bemoeienis met nationale politiek in het kader van de eurocrisis.

3.      Bepleit dat Italië net zoals Griekenland de “Australische aanpak” ter bewaking van de Europese buitengrens toepast

De vrees voor massa-migratie was onmiskenbaar een belangrijke factor in het Brexit-referendum. Diezelfde vrees leidt er in landen als Frankrijk, Nederland en Oostenrijk toe dat zeer eurosceptische partijen momenteel duidelijk de peilingen aanvoeren. In 2015 werd het duidelijk dat hoe economisch belangrijk de Schengenzone ook is, ze niet zal overleven zolang de externe Schengengrenzen niet voldoende beschermd zijn.

De Europese Commissie verdient krediet om flexibiliteit te hebben getoond op dit vlak. Ze liet toe dat landen zoals Zweden en Denemarken, maar ook Duitsland en Oostenrijk interne grenscontroles organiseerden, zolang die maar tijdelijk waren. Als gevolg hiervan dienden de Balkanlanden, tot Macedonië toe, te volgen en leidde het sluiten van de Balkanroute in de lente van 2016 er toe dat de grote migratiestroom uit Turkije stopte.

Daarnaast waren natuurlijk ook het akkoord met Turkije van belang, maar zeker ook de Griekse toepassing van wat men de “Australische aanpak” van illegale migratie noemt: zorg er voor dat zij die illegaal binnenkomen niet automatisch kunnen doorreizen maar hun asielaanvraag ergens moeten afwachten, in dit geval op Griekse eilanden.

Dat op dit moment vluchtelingen daar in slechte omstandigheden vast zitten is onaanvaardbaar, maar is niet eigen aan deze oplossing. De rijke EU landen zouden perfect in menswaardige opvang kunnen voorzien. Belangrijk is echter dat als gevolg van deze aanpak er bijna geen verdrinkingsdoden meer zijn in Grieks-Turkse wateren. Voor de Italiaanse kust verdronken daarentegen sinds maart nog een paar duizend mensen van de meer dan 170.000 die via deze route de EU binnenkwamen in 2016, wat 15 procent meer is dan het jaar ervoor. Welke oplossing men ook voorstaat voor de vluchtelingenproblematiek: deze situatie is onaanvaardbaar en de Australische aanpak is de enige succesvolle remedie om mensenlevens te redden.

De Belgische regering bepleitte de Australische benadering reeds in januari voor de Griekse Schengengrens. Onder meer als gevolg van Europese druk laat Griekenland sinds maart illegale migranten uit Turkije niet langer toe door te reizen van de eilanden naar het vasteland.

Ook Italië moet nu onder druk worden gezet om de illegale migranten die gered worden op zee tussen Libië en Italië niet langer te laten doorreizen. Indien Duitse pogingen om Egypte en Tunesië er van te overtuigen asielzoekers op te nemen die gered werden op zee, moeten de Italiaanse hotspots hier maar voor worden uitgerust. Oostenrijk dreigde reeds met het sluiten van de grens met Italië, dus Schengen, levensbelangrijk voor de Belgische economie, is allesbehalve gered.

4.      Bestrijd de eurocrisis door crisislanden uit de muntunie te laten treden

Dat het project van een gemeenschappelijke munt problematisch is, wordt ondertussen door vriend en vijand erkend. De discussie gaat over de mogelijke remedie. Sinds 2010 heeft men geprobeerd om de euro te versterken door het organiseren van miljardentransfers, ofwel via de min of meer democratisch gemandateerde Europese noodfondsen, ofwel via de schimmige transferkanalen van de ECB, telkens gekoppeld aan voorwaarden.

Dit zorgde voor veel euroscepticisme: in de Noordelijke eurolanden was er kritiek op de transfers, terwijl de Zuidelijke eurolanden misnoegd waren over de voorwaarden en inmenging in nationale begrotingsbeslissingen. De Europese Unie werd een stuk minder populair als gevolg van gebreken van de gemeenschappelijke munt, een project dat op zich volledig losstaat van het wegwerken van handelsbelemmeringen, dat de kern van EU-samenwerking uitmaakt.

Zeker voor België, dat zo afhankelijk is van de EU, is het een zorgwekkende evolutie dat de steun er voor onder druk komt als gevolg van de gebreken van de euro.

Bij de vorige uitbraak van de eurocrisis, in Griekenland in de zomer van 2015, werd eindelijk na vijf jaar een alternatieve oplossing serieus onderzocht: het uittreden van een lidstaat uit de muntunie. Volgens sommige bronnen zou de Duitse regering voor Griekenland een pakket van 50 miljard euro hebben voorzien om de overgang te maken. Men had - tegelijk met een ordelijk faillissement - Griekenland naar “Montenegro”-status kunnen degraderen: het land zou dan net zoals Montenegro nog steeds met euro’s betalen, maar zonder lid van de eurozone te zijn. Dat laatste betekent dat de Griekse banken, die virtueel failliet zijn en deels eigendom van de eveneens failliete Griekse staat, niet langer goedkoop geld van de ECB zouden krijgen en hogere rente zouden dienen te betalen om euro’s te kunnen lenen. 

Aangezien de Griekse banken gesloten waren, was het toen het perfecte moment om ze te herstructureren, maar de Duitse Bondskanselier Merkel durfde de sprong niet aan, uit vrees voor besmetting naar andere eurolidstaten, en Griekenland kreeg een 86 miljard euro in het kader van een derde reddingspakket dat loopt tot 2018, na de Duitse verkiezingen dus. De meeste waarnemers zijn het er over eens dat het naïef is om te denken dat Griekenland zich met zijn hoge schuld het dan wel alleen zal kunnen redden.

Een Griekse exit had misschien wel voor “besmetting” naar andere eurolidstaten gezorgd, maar ook nu is er besmettingsgevaar, maar dan van een heel andere aard: landen krijgen het signaal dat ze de begrotingsregels niet moeten naleven en dat de eurozonepartners wel een reddingsoperatie organiseren als nodig. Bovendien maakt het vooruitzicht op nieuwe Griekse problemen in 2018 het moeilijker om problemen aan te pakken in andere eurolanden, zoals Italië, wiens banken zwaar onder druk staan door het feit dat de herstructurering van slechte leningen maar werd uitgesteld.

Om de begrotingen van de eurolanden op orde te krijgen via Europese inmenging, zagen we ondertussen het “Stabiliteitspact”, “Europees Semester”, “two-pack” en “six-pack” al de revue passeren. De Europese Rekenkamer noemde het begrotingstoezicht door de Europese Commissie “niet consistent”. De volgende poging is vervat in het zogenaamde “Five Presidents' Report”, dat voorstelt om niettemin nog maar eens extra macht naar diezelfde Commissie over te hevelen.

Indien banken in eurolanden niet langer goedkoop geld van de ECB kunnen krijgen dat ze kunnen doorlenen aan hun nationale regeringen, zou de hogere rente die regeringen dan dienen te betalen een veel grotere discipline uitmaken dan het toezicht van de Europese Commissie. Dat is temeer het geval omdat Commissievoorzitter Juncker ootmoedig toegaf dat Frankrijk “nu eenmaal Frankrijk is” en het land de begrotingsregels kan negeren. Duits Minister van Financiën Wolfgang Schäuble stelde al voor om het begrotingstoezicht naar nog een andere bureaucratie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of “ESM”, over te hevelen, maar gelukkig is er ook Mark Rutte, die onlangs zijn standpunt herhaalde dat “landen die hun begroting niet op orde hebben, uiteindelijk zouden moeten worden uitgesloten van de eurozone”. 

Een bijkomend voordeel voor een land als België is trouwens dat bij een uittrede van hulpbehoevende landen de ECB ook niet langer zo’n laks monetair rentebeleid hoeft te voeren, wat de vele Belgische spaarders, maar ook verzekeringsmaatschappijen, hard treft – terwijl het de Belgische regering dit jaar alleen al 4 miljard euro opleverde. Dit is als het ware een belasting buiten de democratische controle van het Parlement om. 

Bij een zorgvuldig begeleide exit van landen uit de muntunie kan een land als Griekenland eindelijk van schuldenverlichting en de broodnodige depreciatie van haar overgewaardeerde munt genieten en is het gedaan met de spanningen tussen Noord en Zuid die op lange termijn de steun voor de EU ondergraven. België steunde “Grexit” feitelijk in de zomer van 2015, maar dit vraagstuk komt nagenoeg zeker terug op de voorgrond. Dan is dit zeker de lijn die België opnieuw moet aannemen als de Europese Unie haar dierbaar is.

5.      Benoem Belgische vertegenwoordigers binnen de ECB die op zijn minst niet ingaan tegen de belangen van de Belgische spaarders

Als er één Europese instelling is die het dagelijkse leven van de bevolking beïnvloedt, is het wel de Europese Centrale Bank (ECB). Die zorgde met haar extreem expansief geldbeleid de afgelopen jaren voor het bijeenhouden van de muntunie, zodat de balans van de ECB op dit ogenblik zo maar even 34,5% van het BBP van de eurozone bedraagt, wat in de Verenigde Staten ondanks de ook zeer activistische Federal Reserve slechts 24.2% is. Dit leidt tot grote gevolgen voor  spaarders en andere economische actoren. Daarbij liet de ECB zich ook met politiek in, wat zelfs bijdroeg tot machtswissels, bijvoorbeeld in Italië met het aftreden van Berlusconi in 2011.

Politici moeten zich ver af houden van centrale bankbeleid, net zoals centrale banken niet moeten dienen om regeringen te financieren of aan politiek doen, wat nu wel zo lijkt. Niettemin zijn het de politici die centrale bankiers benoemen. Los van de discussie in hoeverre die laatsten de belangen van hun lidstaat dan wel de belangen van de hele eurozone dienen na te streven, dienen zij op zijn minst niet zwaar in te gaan tegen de belangen van hun land.

Dit lijkt problematisch voor België op dit ogenblik. Beide Belgische vertegenwoordigers in de ECB houden er opvattingen op na die op zijn minst niet in het belang zijn van de Belgische spaarders, importeurs of verzekeraars. Zelfs banken lijden onder het lage renteklimaat. De Belgische overheid daarentegen geniet hiervan, maar de Minister van Financiën, Johan Van Overtveldt, bekritiseerde verleden jaar toch openlijk het goedkoop geldbeleid van de ECB.

Op zich hebben de twee Belgische ECB-beleidsmakers, de ECB hoofdeconoom Peter Praet en de gouverneur van de Nationale Bank, Jan Smets, uiteraard het volste recht op hun mening, maar België gaat hiermee in tegen het gebruik van andere lidstaten om figuren te benoemen die ook het belang van de lidstaat van waaruit ze komen in acht nemen. Zo staat de Nederlander Klaas Knot in tegenstelling tot Mario Draghi als “havik” of voorstander van harde muntbeleid bekend, net zoals de Duitse en Baltische vertegenwoordigers. Dit terwijl ook de vorige Belgische gouverneur, Luc Coene, bij de voorstanders van de monetaire expansie werd gerekend en één van de eersten was die “Kwantitatieve versoepeling” of het opkopen van staatsobligaties suggereerde. Het lijkt wel of de Belgische regering het belang van de ECB onvoldoende beseft.

België is bij uitstek het euroland dat geen belang heeft bij lage rente. Het heeft traditioneel een zeer hoge spaarquote, al is die door de recente rente-evolutie wel wat gezakt. Tussen 2015 en 2016 zakte de rente op spaarboekjes zo maar even 75%, wat dubbel zo hoog is als het gemiddelde van de eurozone en de grootste daling in de hele muntunie.  In 2014 berekende verzekeraar Allianz dat de Belgen de grootste verliezers waren van het lage rentebeleid.

Niettemin durfde ECB-Belg Peter Praet het in maart 2016 toch aan om “helikoptergeld” niet uit te sluiten. Dat zou betekenen dat de ECB bijna ongebreideld geld uitstrooit. De Duitse samenleving werd vorige eeuw ontwricht door soortgelijke experimenten, met bijzonder kwalijke gevolgen. De Belgische spaarder verdient beter.