Monday, October 05, 2020

My analysis in The Times of Trump's economic programme

Published by The Times

If Joe Biden becomes president, he has said he will increase corporate taxes from 21% to 28% on “day one” of his administration, largely undoing Trump’s corporate tax cuts

Is that going to deliver innovation, growth and dynamism? That looks, talks and barks like a tax-hike to me – and it is something the hard-pressed US economy does not need.

The Democratic challenger denies that middle-class incomes would be hit by these tax increases. But quite a few independent studies have contradicted that.

In contrast, Trump has pledged more tax cuts. Also his business-friendly regulatory approach, which he’s likely to continue, is part of the reason why US tech stocks – America’s big success story – have grown so much during his first term.

As well as higher taxes, Biden would bring in greater labour regulation for the gig economy. Simply speaking, if you restrict how the Ubers and Airbnbs of this world operate, then that is going to act as a clamp on their profits and, ultimately, stock-market growth.

It’s obvious that Trump has an obsession and fascination with the stock market. It certainly would be embarrassing for him if it crashes but, for now, I believe the President can take some credit for the way it has grown under his administration.

The surge has not been a flash in the pan that has come over a period of a few months. It’s been a consistent bull market in stocks.

The Federal Reserve’s move to keep interest rates low, and its loose monetary policies has of course benefited stocks. But you could argue the same stimulus, if not more, has occurred in Europe and the stock indices over here compare poorly in many respects with those in the US.

Trump's handling of the pandemic has come in for fierce criticism but I don't think that the US has done particularly worse than European countries when you compare excess deaths.

Lots of countries which have imposed strict lockdowns – and are now experiencing second waves of Covid-19 – have been quick to pour scorn on Trump’s desire to open up the country.

But let’s face it, it’s been proven that you can fight the virus without an economically damaging lockdown and also take the disease very seriously like some Asian countries have done. 

I must qualify that I don’t support everything Trump has done to help the US economy. 

Apart from his wild spending, the trade wars have been careless and damaging to say the least – but we have learned that he mainly barks and very rarely bites. The trade deal he pushed through with Mexico and Canada was very similar to the one that it replaced.

I’m not a fan of how he's challenged the rule of law and critical of central bank independence too.

So I am saying, with some reservation, that Trump will boost the economy more than Biden.

You cannot discount what his tax cuts have done for the economy. The rich bear a huge amount of taxes in each country and it is true that tax cuts will disproportionately benefit them. 

But if you do give tax cuts that inevitably always benefit big tax payers, it will also benefit the SMEs and the mom and pop stores.

That is money which goes into the pockets of the middle classes who, Trump hopes, will power America’s economy in his second term.

 

Friday, October 02, 2020

Vijf redenen om tegen Vivaldi te zijn

Gepubliceerd op Doorbraak

Vijf redenen om tegen Vivaldi te zijn

21 maanden na het uiteenvallen van de “Zweedse” coalitie heeft België opnieuw een volwaardige federale regering. Er is al veel gezegd over het ontbreken van de twee grootste partijen, alsook het ontberen van een meerderheid van Kamerleden uit het landsdeel met de meerderheid van de bevolking, dat ook disproportioneel bijdraagt aan de inkomsten van de overheid en de economische welvaart.

Fundamenteel zijn er inhoudelijk echter ook zware tekortkomingen aan het regeerakkoord van de zogenaamde “Vivaldi”-coalitie. Hieronder lijst ik vijf zaken op die problematisch zijn in het licht van een economisch verantwoord beleid.

1. Sluiten van afbetaalde, niet CO2-uitstotende kerncentrales om ze te vervangen door gesubsidieerde CO2-uitstotende gascentrales.

De nieuwe regering kiest “resoluut voor de herbevestiging van de kernuitstap” tegen 2025, ook al betekent dit dat afbetaalde, niet CO2-uitstotende kerncentrales zouden moeten worden vervangen door zwaar gesubsidieerde CO2-uitstotende gascentrales. Over die subsidies moet de Europese Unie zich nog uitspreken, wat één van de redenen lijkt dat één van de mogelijke investeerders in zo’n gascentrales niet langer interesse heeft.

De voornaamste reden daarvoor is echter dat er in het regeerakkoord tegelijk wordt vermeld dat er “eind november 2021” een rapport komt dat  “de bevoorradingszekerheid en de impact op de elektriciteitsprijzen” onderzoekt. Algemeen wordt dus verwacht dat dit het excuus wordt om de kerncentrales alsnog open te houden, zeker gezien het zo lang duurt om wat dan ook maar te bouwen in België, maar dat kan wel eens buiten uitbater Engie Electrabel gerekend zijn, die al meermaals aandrong op een zo snel mogelijke beslissing.  In april 2020 stelde het bedrijf dat het voor eind dit jaar een beslissing wil over het langer openhouden van twee kerncentrales. Een woordvoerder waarschuwde toen: “We moeten daarvoor de nodige investeringen doen, en daar moeten we snel aan beginnen. Anders is het voor ons niet haalbaar”.

Het is dan ook geen toeval dat Febeliec, de federatie van grote stroomverbruikende ondernemingen, nu het uitstel over een beslissing van de kernuitstap “het slechtst mogelijke scenario” noemt. Dan hebben we het nog niet gehad over het sociaal bloedbad dat een door de wet afgedwongen kernuitstap met zich meebrengt, met name in de streek rond Tihange, waar een 3.000 jobs verloren zouden gaan.

Het behoeft geen betoog dat hoe langer de beslissing op zich laat wachten, hoe zwakker ons land komt te staan in onderhandelingen over de invoer van energie. Men zou denken dat de Covid-crisis en de exportbeperkingen van medisch materiaal hier een les hadden kunnen zijn.

De bevolking kan alleen onthutst toekijken naar een dergelijke onverantwoordelijke aanpak van een cruciaal aspect van onze economie.

2. Meer uitgeven ondanks geldtekort

Reed voor de Covid-crisis zat België al in zwaar budgettair weer, en met de 10 miljard extra uitgaven en zware economische recessie werd het er dus niet bepaald beter op.

Niettemin zijn de Vivaldi-partijen nu van plan om de uitgaven zo maar even nog te verhogen, onder de noemer “nieuw beleid”. Politicoloog Dave Sinardet legt uit: “Men is er toch in geslaagd om heel wat uitgaven te beperken en een aantal extra inkomsten te vinden, waardoor men maar drie miljard euro wil uitgeven aan nieuw beleid, in plaats van 10 à 11 miljard waarvan eerst sprake”. Met andere woorden: men was van plan om een extra Ferrari te kopen, maar omdat de deurwaardersfacturen zich maar blijven opstapelen, houdt men het toch maar bij een nieuwe Porsche.

VOKA-hoofdeconoom Bart Van Craeynest maakt duidelijk hoe de begrotingsplannen van Vivaldi rammelen aan alle kanten. Hij stelt: “Het budgettaire plaatje [van] Vivaldi blijft onduidelijk: tegen 2024 wil ze op zoek naar 2,3% bbp (1,4% budgettaire inspanning + 0,9% nieuw beleid), of 11 miljard, maar [er is] geen concrete indicatie van waar dat geld moet komen (en we blijven sowieso zitten met een te groot tekort)”.

Enkele uren nadat het akkoord bekend was, ontstond er al onduidelijkheid over het “1500 euro netto minimumpensioen”, waarbij Open VLD en sp.a elkaar tegenspraken. Inkomstenbronnen zoals “strijd tegen sociale en fiscale fraude” en “terugverdieneffecten” worden genoemd om de putten te vullen, terwijl besparingen of privatiseringen met een vergrootglas te zoeken of helemaal afwezig zijn. Meer dan een derde van de inspanning vormen ze alvast niet. Dat kan dus enkel betekenen dat er nog hogere belastingen komen of dat men de overheidsschuld eenvoudigweg nog hoger laat oplopen, in de hoop dat de Europese Centrale Bank er in slaagt om de rente kunstmatig laag te houden, ten koste van spaarders. In elk geval dreigt de actieve bevolking de rekening van dit alles te betalen.
 
3. “1500 euro minimumpensioen”: Een jaarlijkse transfer van 2 miljard euro naar de leeftijdsgroep met de laagste armoedegraad

Een groot deel van het zogenaamde “nieuw beleid” bestaat uit jaarlijks 2 miljard euro meeruitgaven om mensen een 1500 euro netto minimumpensioen te geven.

Professor Ive Marx, één van de meest vooraanstaande experten ter zake, merkt hierover op dat dit “vermoedelijk meer met een electorale dan wel een sociale agenda te maken. [Een] deugdelijk minimumpensioen [is] belangrijk, maar [de] meest urgende sociale noden liggen vooral elders”, waarbij hij aangeeft hoe de 65-plussers de laagste armoedegraad van alle leeftijdsgroepen kennen.

Hier gaat het eigenlijk om een transfer van de actieven naar de niet-actieven, ook al worden er wel een paar correcties aangebracht.

Econoom Geert Noels merkt bovendien op hoe gevestigde belangen hierbij worden ontzien: "Dat ze wat doen aan de pensioenen, daar kan ik inkomen. (...) Het logische gevolg zou zijn dat je de hoogste pensioenen aftopt om de halter in evenwicht te brengen, maar dat gebeurt niet."




4. "Geen nieuwe belastingen" blijkt “wel degelijk nieuwe belastingen”

Een duidelijke uitzondering op het voornemen uit het regeerakkoord om "geen nieuwe belastingen" te heffen blijkt vooreerst uit de zinsnede "behalve in het kader van de budgettaire discussie waarbij de afgesproken evenwichten gerespecteerd worden (inkomsten, uitgaven & diversen) en met respect voor mensen die werken, ondernemen en sparen".

Zowel PS-voorzitter Paul Magnette als zijn vrienden van Ecolo maakten nadien duidelijk dat – althans volgens hen – dit absoluut wel degelijk een “vermogenstaksatie” inhoudt. Gespaard vermogen, waar dus al belastingen op zijn betaald, wordt in ons land nochtans al zeer sterk belast. De impliciete belastingdruk op kapitaal liep in België in 2018 op tot zowat 40 procent, wat van alle Europese landen enkel in Frankrijk nog hoger is.

Daarbovenop is er dus het voornemen om een nationale digitale taks op tech- en e-commercebedrijven in te voeren, in elk geval vanaf 2023. Dat betekent dus dat een Netflix - abonnement duurder wordt. Bovendien komt er ook een “minimumbelasting voor multinationals”, waarvoor al 300 miljoen euro in de begroting staat ingeschreven, terwijl experts nu al voorspellen hoe dit de krakkemikkige Belgische fiscaliteit nog krakkemikkiger zal maken. Zoiets kan niet enkel nieuwe grote investeringen verhinderen, het kan ook het eco-systeem van KMO’s aantasten dat men vaak rond grote multinationals ziet.

Last but not least zal de nieuwe Belgische regering ook enthousiast meewerken aan internationale en Europese pogingen om vliegen duurder te maken, via een kerosinetaks – de vele Vlaams-Brabanders die op de noodlijdende luchthaven van Zaventem werken zullen het graag horen- en aan een protectionistische “carbontaks”, wat invoer duurder maakt.

Tot slot komt er ook een “forse verhoging van de accijnzen en btw op tabak en sigaretten”, wat volgend jaar alleen al 200 miljoen euro moet opbrengen. So much for “read my lips: no new taxes”. 

 
5. Geen concrete plannen op vlak van staatshervorming, ondanks huidige gebrekkige structuren.

Ondanks 21 maanden non-governo, om van de voorbije 15 jaar nog te zwijgen, lijkt een aanpassing van de slecht uitgewerkte bevoegdheidsverdeling in ons land allesbehalve een prioriteit.

Ondanks perslekken dat sociale zekerheid naar de deelstaten zou gaan, behalve de financiering dan, staan in het regeerakkoord uiteindelijk enkel vage voornemens, zoals: "De bedoeling is een zorg zo dicht mogelijk bij de patiënt zonder dat aan de solidaire financiering wordt geraakt". Er komen een “democratisch debat” en zelfs een “dialoog”, onder leiding van “twee vice-ministers” (sic) “om de bestaande structuur te evalueren”. 

Zelfs minder ambitieuze communautaire hervormingen komen er niet. Veelzeggend is hoe de Parti Socialiste er op haar goedkeuringscongres mee uitpakte dat de Vlaamse eis voor een fusie van de Brusselse politiezones er niet komt, maar dat de Brusselse Minister-President hier integendeel wat extra controle verwerft, wat betekent dat alles dus bij het oude blijft. De partij stelde zelfs expliciet binnengehaald te hebben dat er “niets” zou gebeuren op vlak van het problematische en onwettelijke (gebrek aan) tweetaligheid van de Brusselse ambtenaren.

Het is bijzonder jammer dat Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert geen speerpunt heeft gemaakt van zijn belofte om de fiscale autonomie aan de deelstaten te geven, want eigenlijk is meer eigen belastingbevoegdheid veel en veel belangrijker voor de autonomie van de deelstaten dan dat ze het recht krijgen om het geld uit te geven. In Zwitserland, de modelstaat bij uitstek op dit vlak, is de belastinginning immers sterk gedecentraliseerd, wat dus voor een weldadige belastingconcurrentie zorgt en meer verantwoordelijkheidszin bij beleidsniveaus in het algemeen.

Besluit:

Het kan wellicht altijd erger en tot dusver komt er al geen meerwaardebelasting die de Vlaamse middenklasse op lange termijn hard kan treffen, zeker als die ooit tot vastgoed zou worden uitgebreid, maar bij de komende begrotingscontroles zal men elke keer voor erger moeten vrezen. Laat ons hopen dat de verlenging van de kerncentrales toch snel wordt bevestigd, want er is weinig hoop op een val van deze regering. De regeringspartijen lijken immers als de dood voor vervroegde verkiezingen, die er misschien enkel komen als de groenen de regering opblazen over de kernuitstap. De Franstalige deelstaten komen sowieso in financiële problemen de komende jaren, dus de herziening van de financieringswet wordt de grote hefboom om België eindelijk fundamenteel te hervormen vanaf 2024 – hopelijk naar Zwitsers model. In afwachting daarvan geldt: "The duty of her Majesty's opposition is to oppose".

 

Thursday, September 24, 2020

Listed among “top 40 EU influencers”

I am happy to announce that I was listed among the top 40 EU influencers on twitter by digital consulting firm ZN Consulting: 



Wednesday, September 09, 2020

The EU’s state aid hypocrisy

 Published by The Spectator

Another crucial period has begun in the Brexit saga. Boris Johnson has ruled out extending the transition stage beyond 1 January, after which the UK will no longer automatically take over EU regulations or align with EU trade policy. So the key question surrounding Brexit will finally need to be answered: what are the conditions for the UK to retain a decent amount of market access to the EU? 

The answer the EU has given is that the UK must abstain from unfairly subsidising its companies. That is a fair demand, but the EU also wants the UK to continue to align with EU rules on state aid. The latter is something fiercely resisted by the British, and rightly so. The stakes are high – along with fisheries, it’s seen as the key sticking point in the negotiations. FT columnist Wolfgang Munchau, a senior observer of EU politics, thinks that ‘it is whether [the] EU accepts [an] independent UK state aid policy. If yes, there will be deal. Otherwise no.’

If the EU and the United States were to conclude a trade deal, the EU would be right to oppose submitting itself to the American state aid regime. Likewise, it doesn’t make sense at all for the UK to continue to bind itself to the European state aid machinery. 

The UK can, of course, pledge not to engage in unfair state aid. But both sides could also secure that commitment through their own institutions. The UK could, for example, create an independent authority to police state aid, subject to review by Parliament and the UK courts.

Many on the Continent rightly admire Britain’s institutional architecture, with the rule of law as its cornerstone. So why should they distrust the UK here? Things are not always perfect in the UK of course, as Brandon Lewis’s recent comments on international law have shown. But things aren’t perfect in the EU either. Without even mentioning the likes of Hungary or Bulgaria, it’s sufficient to take a look at my own country, Belgium, where the slow moving judiciary just failed, after 12 years to conclude a criminal investigation into the financial conglomerate Fortis, following the 2008 financial crisis. At the end of the investigation, nobody was held responsible. So much for distrusting UK institutions. 

Fears that the UK would suddenly massively engage in state aid after Brexit – apparently held by Merkel’s man in Brussels, David McAllister – are a bit odd, as Britain only spent half as much on state aid as the EU average in 2018. That’s before Covid drove European countries – and Germany more than any other country in the world – to inject monstrous amounts of government cash into the private sector. Perhaps it’s the British that should be wary about the EU holding up its side of the bargain not to engage in unfair state aid, not the other way around.

https://twitter.com/Schuldensuehner/status/1262228416343863296?s=20

The EU state aid regime is also becoming ever more politicised, especially in recent years. Margrethe Vestager, European Commissioner for Competition since 2014, has been overruled by the EU’s top court over her attempts to requalify special national tax arrangements provided by Belgium and Ireland as ‘unfair state aid’. Her claims that these tax arrangements were not really open to any company were dismissed. In the past, Donald Trump has dubbed her the ‘tax lady’, referring to her zeal to use her competition powers to force the likes of Apple to pay massive back-taxes retroactively. Her interest in extracting more cash from companies stands in sharp contrast with her permissive attitude – long before Covid – toward European governments that bail out companies or restrict competition, at the expense of taxpayers and consumers. This should serve as yet another argument for the UK not to subject itself to the EU’s legal framework for competition policy.

At the heart of all this, is that EU officials are not comfortable with the idea of allowing the UK to steer its own regulatory course, picking and choosing when to align with EU rules, depending on whether this results in market access or not. Yet such an arrangement is precisely what the EU negotiated with Switzerland back in the 1990s, which has worked fine now for 20 years, despite the EU’s relentless attempts to erode the sovereignty obtained by the Swiss. The EU’s flexibility here was ultimately of great benefit to both sides. In some areas, the Swiss copy and paste EU rules, so not to distort supply chains. In other areas, for example when it comes to financial regulation, the Swiss only receive partial access to the EU single market, in return for regulatory independence. No talk of the EU’s ‘four freedoms’ being ‘indivisible’ here, when services do not flow as freely as goods. 

When you think about it, the EU is all about ‘pick and choose’: member states are permitted not to liberalise services or goods when there is insufficient political support. They can also choose whether to join the monetary union (even if they lack an opt-out, like Sweden), whether to agree a common EU prosecutor, or whether to permit passport-free travel. During the Covid crisis, borders were shut at will and there have always been vast differences in how properly member states implement EU regulation. The EU really lacks any argument to dismiss the UK wanting to pick and choose, and it should certainly not use it to refuse a fair and flexible trade deal, which would inflict great damage to the already badly suffering economies of both Britain and mainland Europe.  

Policy competition is fundamentally a good thing for the EU. To tackle Covid, an unknown challenge, European governments have taken very different approaches. This trial and error permits member states to observe who got things right and who did not. A top-down approach prevents countries from learning from each other.

When it comes to state aid, the natural compromise is for both the UK and the EU to promise they will not engage in unfair state aid – but trust each other to implement that commitment themselves. 

 

 



Monday, August 24, 2020

Een meerwaardebelasting of extra taksen zijn het verkeerde recept voor de relance

Gepubliceerd in Trends

De toename van het Belgische begrotingstekort was in het eerste kwartaal van 2020 drie keer groter dan het gemiddelde van de eurozone. Dit jaar loopt het op tot bijna 10 procent van het bbp, wat van 1986 is geleden. De 10 miljard extra uitgaven en zware economische recessie zijn daar niet vreemd aan, zegt politiek analist Pieter Cleppe.

De opdrogende overheidsinkomsten doen de onvermijdelijke vraag rijzen wat onze overheid zich nog kan veroorloven. Niettemin komt dat in de lopende regeringsonderhandelingen weinig tot niet aan bod. Integendeel, aan de PS zou zelfs een nieuwe vermogenswinstbelasting, de zogenaamde meerwaardebelasting, zijn toegezegd, weliswaar in ruil voor het verlagen van de roerende voorheffing, die nu 30 procent bedraagt.

Zo'n meerwaardebelasting is een gevaarlijk idee. Naast de lage belasting op verhuurinkomsten is het gebrek eraan zowat de enige fiscale troef die België heeft, behalve dan de zogenoemde Reynders-taks, die enkel geldt voor obligatiefondsen.

Fundamenteel is het probleem met die belasting dat ze wordt geheven op geld waarop al belasting is betaald, en nog geen beetje. In geen enkel land ter wereld wordt een alleenstaande bediende zonder kinderen zo zwaar belast als bij ons. Wanneer die persoon na vele jaren dan een deel van zijn gespaarde vermogen in aandelen investeert, zou men hem of haar dus met nog wat extra bureaucratie bezwaren, bovendien blijkbaar zonder de mogelijkheid eventuele verliezen af te trekken.

Bovendien bestaat het risico, dat men de taks op meerwaarden niet begint te berekenen vanaf het moment dat er een nieuwe regering is, ergens deze herfst, maar retroactief, op een punt dat men dus niet wist dat men deze taks zou riskeren. Zo ging dat bij de uitbreiding van de Reynderstaks in 2018 ook.

Gespaard vermogen wordt in ons land al zeer sterk belast. De impliciete belastingdruk op kapitaal liep in ons land in 2018 op tot zowat 40 procent, wat van alle Europese landen enkel in Frankrijk nog hoger is.

Ook een afgezwakte vorm van deze taks mag men niet goedkeuren. Het staat in de sterren geschreven dat een beperkt toepassingsgebied in de toekomst wordt uitgebreid, zoals bij de Reynders-taks en zoals dat altijd gaat. Dat kan weleens bijzonder ernstige gevolgen hebben voor Vlamingen, die vaak eigenaar zijn van vastgoed. Zodra die belasting bestaat, is het zoveel eenvoudiger ze ook toe te passen op meerwaarden op vastgoed, zelfs op de gezinswoning, zoals het Verenigd Koninkrijk overweegt te doen. Een pervers effect zou zijn dat mensen die hun woning verkopen, dan niet langer de middelen bezitten om een gelijkaardige woning in een gelijkaardige buurt aan te kopen.

Als de meerwaardebelasting zou worden toegepast op de waardestijging van de aandelen van kleine en middelgrote ondernemingen, zou dat bovendien ook een aanval zijn op het vrije initiatief, de innovatie en het ondernemerschap. Onze welvaart is volledig gebouwd op ondernemers die risico nemen en zich keihard inzetten, om de waarde van de aandelen in hun ondernemingen omhoog te stuwen.

De econoom Stijn Baert stelt voor zo'n meerwaardebelasting te gebruiken om de arbeidslasten te doen dalen. Dat klinkt goed in theorie, maar in de praktijk zal het ertoe leiden dat de sociale zekerheid voor een nog groter deel door de 'algemene middelen' wordt gefinancierd. Een voordeel van ons systeem van sociale bijdragen is dat de overheid dat geld enkel en alleen voor de sociale zekerheid kan gebruiken. De opbrengsten van een meerwaardebelasting gaan in de grote grabbelton van de algemene middelen.

De arbeidslasten verlagen is natuurlijk een goed idee, maar als dat niet gepaard gaat met een grotere rol voor de private sector in socialezekerheidsvoorzieningen, is het niet meer dan een vestzak-broekzakoperatie. De overheid wordt nu eenmaal gefinancierd door de netto bijdragende actieve bevolking, en doen alsof extra vermogenstaksen daar veel aan veranderen, is de mensen blaasjes wijsmaken. Uiteraard zullen in Brussel wel wat vermogende Fransen wonen, die relatief weinig hebben bijgedragen aan de Belgische overheid, maar met een vermogenswinstbelasting zijn die snel weer weg, wat ook niet goed zou zijn voor onze noodlijdende economie.

Ook alternatieve vormen van belastingverhoging zijn een slecht idee. Bij de komende begrotingscontrole kan men er gif op innemen dat een zoveelste verhoging van de accijnzen op tabak of alcohol zal worden overwogen. Nochtans heeft de regering daar slechte ervaringen mee. In 2017 bleek een verhoging van die accijnzen te hebben geleid tot een daling van de inkomsten. Dat komt door het Laffer-effect, genoemd naar de Amerikaanse econoom Arthur Laffer. Net zoals het duurder maken van een cinematicket van 10 tot 200 euro tot minder inkomsten voor de cinemagroep leidt, is er een punt waarop hogere taksen tot minder inkomsten leiden voor de overheid.

Het is moeilijk te voorspellen waar dat punt ligt, maar in België zijn we er in elk geval zeer dichtbij. De gekrompen economie maakt dat het nog dichterbij zal liggen dan anders. Er zou eigenlijk maar één gespreksthema mogen zijn in de nationale politiek: in welke uitgaven gaan we snijden?

Die vraag hangt nauw samen met de nood aan een staatshervorming, aangezien de beleidsdomeinen waar besparingen politiek het gevoeligst liggen, net op het federale niveau liggen: sociale zekerheid en justitie. De deelstaten zwemmen bij wijze van spreken in het geld. Er komt dus het best een nieuwe staatshervorming, waarbij de deelstaten er bevoegdheden bij krijgen zonder de navenante middelen, en waardoor ze dus eigenlijk moeten besparen op boscoaches of subsidies om Wikipedia bij te werken.

Misschien kan het echter wel allemaal zonder grote besparingen, met dank aan het verregaande monetair activisme van de Europese Centrale Bank, die door allerlei aankoopprogramma's en monetaire verruiming de rentelast voor onze overheid kunstmatig laag houdt, ten koste van spaarders dan wel. Gezien de penibele budgettaire situatie in andere Europese landen, zal dat wel nog een tijdje aanhouden, maar ook hieraan zit een grens. Op een bepaald moment wordt het tijd voor besparingen. Het is verstandig om niet te wachten tot men moet vaststellen dat een zoveelste verhoging van de lastendruk tot minder inkomsten heeft geleid.

Friday, August 07, 2020

Will the Pandemic Bring Down the Eurozone?

 Published on U.S. National Review Online

As the coronavirus crisis subsides in Europe, another crisis may rear its ugly head again: the crisis surrounding the EU’s common currency, the euro. The euro crisis, which came to a head when Greece nearly defaulted in 2009-10, never really went away, and it could have profound consequences for the United States.

No eurozone government has openly declared insolvency during the coronavirus pandemic, but the European Central Bank has undertaken massive financial injections to avoid just that.

On top of this money printing, European governments have been spending like drunken sailors. Germany alone has committed €1.2 trillion in spending and guarantees, more than any other individual EU country. There is a real danger that German support for domestic firms undermines fair competition in the European Union, which its executive, the European Commission, is supposed to guarantee, although in this case it has remained silent.

Recently, European governments agreed to an additional €750 billion in COVID-related stimulus spending, dubbed “Next Generation EU,” which will add yet more to the burden already imposed on hard-pressed European taxpayers. The €750 billion will be borrowed on international markets — perhaps even from China —and jointly guaranteed by European governments, a development of considerable political significance in that it effectively represents a degree of debt mutualization that has thus far been resisted by the EU’s “north.” To pay back the jointly issued loans, the European Commission will be levying taxes directly, an encroachment on powers previously reserved to the members. With a “tax on non-recycled plastic waste” already levied on January 1, a “carbon border adjustment mechanism and a digital levy” may follow.

In Northern Europe, opposition to this spending scheme was firm, as governments realized the extra burden it would put on their national budgets already stretched by the measures taken in response to the pandemic.

The so-called “frugal four” — the fiscally responsible Netherlands, Austria, Sweden, and Denmark — are hesitant to put themselves on the hook for decades of financial mismanagement elsewhere. It should be noted that the latter two opted to stay out of the eurozone and are therefore even more hostile to the idea of underwriting transfers designed in reality to sustain that shaky monetary union. At the European summit, they put up a good fight but basically lost out, having to accept that €390 billion of the €750 billion would consist in grants to European governments as opposed to loans.

An agreement was already reached that the new multiannual EU budget, not including the €750 billion special “coronavirus” stimulus, would once again amount to more than €1 trillion euro over seven years, despite the loss of the UK, which was the EU budget’s second biggest net contributor.

It is not as if the EU spends the money it already has as well as it might.

For a start, it devotes more than €400 billion to agricultural subsidies, irrespective of production, which amount to huge transfers of public resources to industrial conglomerates as well as to landholders, some of whose land just happens to be classifiable as agricultural, including (prior to Brexit) the Queen of England. The system emerged after EU agricultural subsidies had led to massive overproduction, so instead of axing the handouts all together, it was decided to merely decouple them from output. As was noted in a detailed 2019 report in the New York Times, allegedly:

across Hungary and much of Central and Eastern Europe, the bulk goes to a connected and powerful few. The prime minister of the Czech Republic collected tens of millions of dollars in subsidies just last year. Subsidies have underwritten Mafia-style land grabs in Slovakia and Bulgaria.

In the Times’ view, “few leaders have attempted such widespread, brazen exploitation of the subsidy system as [prime minister Victor] Orban in Hungary”. The paper’s reporters argue that he “uses European subsidies as a patronage system that enriches his friends and family, protects his political interests and punishes his rivals.”

“Regional funds” are the EU’s second-largest area of spending. These are supposed to help Europe’s poorer regions catch up, but they have ended up supporting organized crime and the mafia in Southern Italy, according to Italy’s Central Bank. Most economic research has concluded that these funds do not help to close the economic gap, and one study even alleges the funds bring more harm than benefits to regions that are net recipients of this largesse.

Germany, and ultimately the frugal four, are likely to back down in the end when it comes to both regular and post-COVID EU spending. The waste (and worse) associated with EU funds is no secret, but it is often considered as some kind of a “bribe to sustain the EU’s “single market,” which enables businesses to trade across borders more smoothly in Europe.

The single market is a good thing, even if its focus has moved from scrapping national protectionism to harmonizing rules at the European level. Discontent about the latter, along with perennially wasteful EU spending, were two of the reasons behind Brexit. We can already see rising discontent in the more “frugal” countries like the Netherlands or Sweden over the EU’s seemingly never-ending appetite for spending, but that discontent does not foreshadow an exodus from the union, an idea with only minority support in those parts of Europe. In Italy, by contrast, support for leaving the EU and the euro zone was higher in April — at around 50 and 40 percent, respectively — but Italy is financially dependent on euro zone membership. An exit would wreak havoc on its troubled banks.

None of this was properly considered. With the UK’s departure, the voices of those arguing in favor of responsible financial management have been weakened. The COVID crisis helped those pushing for more EU spending to almost double it, while also financing part of it via joint lending, and no longer only, as was the case, bottom-up, via payments to the EU. Also in the future, the EU could decide to cover any shortage of cash via a joint lending program. Importantly, however, the EU Commission’s authority to issue joint debt is time limited. Every EU member state is able to veto any future program similar to the 2010 joint lending program to finance Eurozone emergency loans to Ireland and Portugal, which can serve as the first precedent of joint EU borrowing.

In the end, the 750 billion euro of the new joint borrowing program is still relatively small. Ultimately, it is the European Central Bank (ECB) which is preventing a euro zone break-up.

Taxes are already excruciatingly high in financially weaker countries like France, Belgium, Greece, Italy, Portugal and Spain. The economic damage of Covid is now crushing tax revenue. If those countries’ governments want to avoid big spending cuts, which is a “no go” in Europe, where a social-democratic mindset is mainstream, they need to increase borrowing. That’s where the ECB comes in.

The combined budget deficits of euro zone governments this year amount to an estimated €1.4 trillion, roughly equal to as the extra money the European Central Bank has pledged to inject into the system by the end of this year. By the end of 2021, the ECB’s monetary expansion will, according to conservative estimatesexceed €1.6 trillion , which is a lot more than the €340 billion stimulus the EU Commission intends to dole out until the end of next year.

The ECB has become a crucial source of funding to many euro zone governments. It does this by drastically expanding the supply of money, either buying government bonds on the secondary market or distributing newly printed cash to European banks. This all happens through seemingly endless programs usually identified only in abbreviation: LTRO, TLTRO, PEPP and PSPP. As for the money lent by the ECB to banks, much of it is spent on bonds issued by the euro zone’s governments. In 2011, French President Sarkozy  that the real purpose of the LTRO program was to fund governments: “This means that each state can turn to its banks, which will have liquidity at their disposal.” When it is buying bonds directly, the ECB moreover disproportionately purchases those of the financially shakier member states, meaning it is not just engaged in banana republic–style monetary financing of government spending but also effectively organizing transfers between eurozone member states, and not in a direction appreciated by the eurozone’s north

There are legal constraints in the eurozone aimed at preventing monetary financing, which is rightly seen as undemocratic (it’s a way of increasing government spending that bypasses parliamentary scrutiny), but they don’t amount to much. Recently, Germany’s Constitutional Court ruled that the EU’s “Supreme Court,” the European Court of Justice, had violated the distribution of competences laid down in the EU’s founding treaties by allowing the ECB to conduct its very own “quantitative easing” program, PSPP, without sufficient motivation of the reasons why it’s necessary. The German judges have a history of daring to bark but not to bite, so another fudge was found, with Germany’s central bank simply delivering an explanatory note.

For a long time, German political opposition to the ECB’s monetary activism, stemming from the trauma of 20th century hyperinflation, acted as a brake, but memories are fading.

Complacency over inflation has also been helped by stable consumer prices, despite clear sign of asset-price inflation. One explanation for this is that much of the money created by the ECB and lent to banks has simply stayed put in the banking system. Banks are not lending it out, because they cannot identify enough good projects to fund . Meanwhile, European savers aware that their savings are being slowly eroded remain wary of more active investment strategies, apprehensive that a stock-market or real-estate correction may be around the corner. That interest rates have been driven into negative territory has not changed their mind to any significant degree.

The next stop may therefore be “helicopter money” — sending money to citizens rather than banks. In theory, this ought to drive up the “velocity of money,” as the newly created cash would no longer sit idle in the banking system, but could be used by citizens right away. That’s the theory, but it is possible that many people would still not indulge in a spending spree, and might merely keep the extra money in their savings accounts. Nevertheless, if enough people did start spending right away, consumer prices would go up, “forcing” people to join the spending spree, so as not to lose out. This would all end in runaway inflation.

The euro does not enjoy the reserve-currency status of the U.S. dollar. Its credibility as a store of value is considerably less. The ECB can control how many euros it inserts into the system, but not the degree of trust people have in the single currency. It’s possible to foresee a situation in which the ECB may be forced to increase interest rates to stem capital flight, a phenomenon familiar in those emerging markets where money has been printed a little too enthusiastically.

In the eurozone, higher interest rates would not simply be a matter of political and economic pain. They could threaten the single currency’s survival. Southern European politicians may simply refuse the demands for stricter budgetary controls insisted upon by their Northern counterparts in return for fiscal support. Or Northern European politicians may no longer be able to persuade their voters to head off a sovereign default by one or more of the eurozone’s southern members, such as Italy. We should never underestimate how far Germany’s political establishment is willing to go to save the monetary union, but perhaps COVID-19’s economic fallout of will exceed the capacity of German politicians to agree to transfers.

To be sure, even if no solution can be found within the eurozone, there’s always the possibility that the United States will bail Europe out.

At the worst moments of the eurozone crisis, the U.S. Federal Reserve was there to provide “swap lines” to European banks in need of dollars. The U.S. typically does this for friendly nations, but here more was at stake. During those years, Obama’s Treasury Secretary Tim Geithner had to travel to Berlin to convince the German government to bail out other eurozone countries. A Greek default would have struck a blow to troubled U.S. banks. Back then, it was in the interest of the U.S. to bail out the eurozone.

Will Washington still hold the bag for Europe in the age of “America first” and when, in the event of capital flight, European banks’ needs for U.S. dollars would be even greater? It’s hard to say, but the administration needs to start focusing on the economic news coming out of Europe.

As much as President Trump’s instincts may rebel against support for the EU’s shaky common currency, there will be massive pressure on him to do so, amid calls for “safeguarding global financial stability.” But America should resist the temptation to prop up a wobbly structure.

Italy’s economy is now smaller than before it entered the eurozone, in 1999. Despite years of budgetary surpluses (before interest payments), the Italian government has been unable to jumpstart proper economic growth. Nominal interest rates may be low, but the absolute sums (now repayable in a “hard” currency since Italy gave up the lira for the euro) left over for from terrible financial mismanagement in the 1980s require high taxes, and high taxes are not a recipe for growth. Moreover, the greater the role of the ECB in Italian government financing, the less incentive there is for the Italian government to introduce structural reforms.

The unpleasant reality is that Italy’s public-debt mountain is simply too high to ever be brought down to a manageable size. Even years of “primary budget surpluses,” which exclude interest rate payments, were not sufficient to generate proper economic growth in Italy. Policymakers should accept that an Italian default is the only way out. True, this would hurt investors, pensioners, and the ECB, which holds about 20 percent of Italian debt, but it’s better to deal with the pain now than face even worse damage further down the line.

Would an Italian default lead to the break-up of the eurozone? Perhaps, but if the alternative is preserving a structure that can only be sustained by ever greater debt and transfer payments, perhaps that’s not the worst thing.

To be fair, the potential damage from an Italian default may already be so great that hopes of an orderly debt restructuring and a managed unwinding of the eurozone are nothing more than a pipe dream. In that case, the best option is for European governments to have a “plan B” ready for a disorderly eurozone break-up. According to retired Dutch policy makers close to the decision making at the time, this was something that the Dutch and German governments had in place in 2012.

There is, of course, also always a chance that real economic growth — engendered by the many remarkable technological innovations we are witnessing today — will facilitate enough growth to overcome Italy’s debt mountain, but it would be dangerous to count on it. At its current debt levels, it would take massive growth rates to dig Italy out of its financial hole. And the more difficult it becomes the greater the likelihood of the first, more pessimistic scenario: a disorderly eurozone break-up There may be a rough ride ahead.